Een middag tussen weilanden

ooijpolder1Gisteren fietste ik vanwege de lente op een landweg in de Ooijpolder. Ik moest terugdenken aan een vergelijkbare middag, toen ik dertien was.

De taakverdeling was duidelijk. Mijn broer zou het jongvee uit de wei de straat op jagen. Ik zou voorop gaan, in draf, en de koeien aanmoedigen om me te volgen op de verharde landweg. Bij onze andere wei, een paar honderd meter verderop aan de andere kant van de weg, zou ik stoppen met lopen en de kudde tegenhouden. Dan zou mijn broer van achter meehelpen ze in de andere wei te leiden.

Het verliep anders. Op het moment dat alle koeien op straat waren kwam er een auto aan gereden. Mijn broer zwaaide met z’n armen, maar ik wist niet wat hij precies bedoelde. Ik gokte en begon, met mijn warme laarzen, harder te lopen. Geen draf, maar galop. De jonge koeien deden met me mee. Ook galop. Het ging hard. Te hard. De beesten begonnen te rennen, als wilden. Soms gingen hun voorpoten een halve meter de lucht in. Ik keek om en kreeg het idee dat ik ingehaald werd. Achter de kudde zag ik hoe mijn broer met grote passen probeerde bij te blijven. Inmiddels was ik op de plek waar ik moest stoppen en de koeien tegen moest houden, om ze vervolgens de nieuwe wei in te leiden. Ik keek naar de rennende koeien achter me en besloot om niet te stoppen. Ik bleef rennen. Rennen en rennen, de beesten achter me aan. Mijn broer, met rood hoofd en iets schreeuwend dat ik niet kon verstaan, daar weer achter aan. En dan die auto. Het was warm, de zomer was begonnen en wij bleven de hele middag rennen over de landwegen in de Ooijpolder.

Het resultaat van een avondje stappen in het centrum van Tilburg

Het leek wel op een kunstwerk. Vijf zwartgeblakerde stoelen en nog wat andere verbrande troep bij elkaar gezet. Het winkelpubliek op koopzondag liep er verbaasd langs. Ik ook. Er hing een briefje bij: Het resultaat van een avondje stappen in het centrum van Tilburg.  Ik had de neiging om die tekst steeds te herhalen bij van alles en nog wat: een zwerver in een portiek, een rotte appel in de supermarkt, een klein blond jongetje, een draaiorgel.

Onwaarschijnlijke sneeuw

sneeuw2Ik heb vaak moeite met symboliek in verhalen. Het liefst zie ik dat daar zo bescheiden mogelijk mee omgegaan wordt. Het mag daarom een wonder heten dat ik zojuist Sneeuw van Orhan Pamuk heb uitgelezen, en dat ik het ook nog eens een goed boek vind.

De eerste 100 van de 468 bladzijden waren het zwaarst. Gezever over het al dan niet dragen van hoofddoekjes met alle politieke en religieuze consequenties daaromtrent blablabla. En dan de dichter Ka, die zijn gedichten in één keer neer kan schrijven, alsof het door god is ingegeven. Oja, natuurlijk. Maar op een gegeven moment kwam het verhaal goed op gang en wilde ik verder lezen. Waarom dan wel? Daar geeft het NRC in een recensie een mooi antwoord op:

“Vaak wordt Pamuk dan ook een cerebrale gekunsteldheid verweten. Dat zou terecht zijn, als die vormdrift zou ontsporen of niets anders zou opleveren dan literaire tierelantijnen. Geen van beide is bij Pamuk het geval. De formele schoonheid van zijn boeken krijgt nooit de overhand.”

Juist. Maar daar moet bij mijn leeservaring wel eventjes aan toegevoegd worden dat ik veel van de overdadige symboliek niet door had. Gelukkig maar. Nu ik een rondje maak op internet blijkt het veel erger te zijn dan ik dacht. Lees en huiver.

“Het begint met woordspelletjes. De dichter Ka gaat naar een onder sneeuw (in het Turks kar) bedolven Kars. We moeten niet alleen een grote verbondenheid van de hoofdpersoon met zijn bestemming verwachten, de symboliek gaat veel verder. Hij heet namelijk eigenlijk Kerim, hetgeen zoveel betekent als kind, fantastisch en heilig. Kwalificaties die ook verbonden zijn aan de kleur wit (sneeuw), in het Turks ak, die weer op een averechtse manier verbonden is aan zijn naam. Zijn grootste tegenstrever heet Indigo, een kleur die staat voor het ideaal, het geestelijke en in doorgevoerde vorm voor koppigheid en dogmatisme; eigenschappen die op maat gemaakt lijken te zijn voor de fundamentalist en vermeende terrorist die Indigo is.” 8Weekly

En:
“De lezer volgt de dichter Ka in het Turkse stadje Kars (dat ‘sneeuw’ betekent) op de grens van Armenië. Een dichter schrijft dicht. Bij Ka wordt zijn belevingswereld gecomprimeerd tot 19 gedichten. Ze zijn een ondeelbaar geheel, zoals het priemgetal 19, gegroepeerd onder ‘rede’, ‘geheugen’ en ‘verbeelding’ rond het gedicht ‘ik Ka’ midden binnen 3 groepen van 6 in een sneeuwkristal. Henk Hogeboom van Buggenum

En toch. Als je dit wegdenkt, is het een prachtig boek. Lezen aanbevolen!

Tijden

Vroeger ging je met verjaardagen als een vorst op het lage tafeltje staan in de woonkamer. Je opende alvast je mond – zo ver mogelijk – terwijl je moeder met een rood pilletje en een glas water uit de keuken kwam.
Tegenwoordig schuif je de gordijnen dicht en doe je het licht vast uit. Zo ziet niemand de hoeveelheid die je naar binnen werkt.

Wanssum en Zijtaart

zijtaartWanssum is altijd en overal in de buurt. Ik werd vandaag gewezen op een flink artikel in Vrij Nederland van Tony van der Meulen, over de fanfare van Zijtaart. Het heeft veel overeenkomsten met mijn scriptie. Ook hier wordt de fanfare als uitgangspunt genomen om een beeld te schetsen van het dorpsleven en de rol van het verenigingsleven daarin. Het is een aardig, evenwichtig verhaal opgebouwd uit interviews van muzikanten.

Zijtaart is geen Wanssum. Het beeld dat in het artikel over Zijtaart naar voren komt, staat haaks op mijn conclusie over de Wanssumse fanfare. Dat Zijtaart twee keer zo klein is, en behoorlijk afgelegen ligt van de rest van de wereld zijn denk ik de voornaamste redenen voor dit verschil. Waar Wanssum in een periode van veertig aanzienlijk is veranderd als dorp, blijkt dit bij Zijtaart niet het geval te zijn. Goed, de kerk speelt ook hier geen dominante rol meer in het dorpsleven, maar het dorp is nog steeds  erg op zichzelf. Een beschermde omgeving voor kinderen, een bloeiend verenigingsleven, geen allochtonen, en de helft van de jongeren blijft in het dorp wonen. Het lijkt op iets van vroeger. Hoelang dat zo blijft, is dan ook zeer de vraag. ‘Zijtaart is klein gebleven’, schrijft Van der Meulen. ‘Maar de industrieterreinen van het nabije Veghel sluipen dichterbij, als kruiend ijs. Het lijkt een kwestie van tijd voor de fabrieksblokken het dorpje van de kaart schuiven.’

De quotes van de Zijtaartse fanfareleden van verschillende leeftijden geven een jaren-50-beeld van het dorpje. De ene keer gaat het ook over iets van veertig jaar terug, maar de andere keer over het heden. Verschil is er niet:
‘Sociaal contact is iets anders dan steeds op elkaar letten. Maar onbewust doe je het hier toch al niet buiten het boekje.’
‘Een jaar of tien geleden hadden wij voor het eerst een trompettist die homo was, maar daar werd niet over gepraat. En er werden ook geen grapjes over gemaakt.’
‘Ik was de derde Zijtaarter die in Veghel naar de hbs ging. De kinderen daar hadden een mond van hier tot ginder.’
‘Als de grote trom door het dorp klinkt, boemboem, gaan de gordijnen opzij en de voordeuren open. Auto’s worden tegengehouden, daar komt geen politie aan te pas.’
Lees verder Wanssum en Zijtaart

Mensen

mensen, riep ik
en brak een muur af

dat was in het jaar waarin wij besloten
helden te worden voor onszelf te kiezen
en te spreken alsof wij iets te melden hadden

net echt

toen viel een tweede muur om
meteen ook maar een derde
de lucht die overviel ons
want zo ontzettend veel lucht

maar goed,
eindelijk ontplofte er wat

Zonder fiets

Al een week doe ik het leven zonder fiets. Alles te voet. Gaat me best goed af. Slechts twee keer heb ik een bus nodig gehad. Dat is natuurlijk ook niet zo’n probleem als je in het centrum woont.
Soms denk ik terwijl ik loop: zo de’en ze da in vroegeren tijden. Als ik het hardop zou uitspreken, zou dat met een Polygoon-toontje zijn.

Mijn werk is verfilmd

bomen

‘Vanaf nu kun je zeggen dat je werk verfilmd is,’ zei Flodderbokser vorige week maandag. Hij hijgde nog wat na, want hij had even daarvoor met een filmcamera door een straat gerend. De postbodejas uit het rode tijdperk stond hem als gegoten.

Flodderbokser is niet de enige acteur in mijn twee verhaalverfilmingen. Ook videokunstenaar Niek Das, die de beelden in elkaar mixt, is een ster op het witte doek. Of beter gezegd: zijn mond is een filmster. Verder paraderen Rolf, een enthousiaste flat coated retriever, en ikzelf door het beeld.  Dit gebeurt allemaal in het kader van filmfestival Go Short! Samen met Dennis treed ik morgen en overmorgen op met korte verhalen. Daarbij worden we begeleid door beelden van Niek (eerder werk van hem zie foto) en muziek van dj De Vuurman.

Ik vind het een heel gaaf en spannend project, maar ga in mijn enthousiasme nog niet zo ver als Dennis. Hij schrijft op zijn blog dat het een soort van method acting voor schrijvers is, zo’n verhaalverfilming. Ik zie dat bij mijn eigen verfilmingen niet zo. Ik ben niet een stapje dichter bij mijn personages, eerder er een stapje vandaan. Ik weet dat ik heel concreet en nuchter observerend kan schrijven, door de verfilming worden de scenes nog concreter, nog droger. Het maakt mij vooral aan het twijfelen over dat wat ik heb geschreven, as always.

Maar misschien verandert dit wel helemaal tijdens de uitvoeringen. Het is sowieso mooi om een verhaal door middel van beeld en geluid meer jus te geven, zoals gehaktballen.
Kom dus vooral naar “Merleyn goes Short!” Vrijdagavond om half 12, entree gratis, Merleyn dus.
Of zaterdag om half 12 in de Lindenberg, voor 5 euro. Dan is er gelijk ook gelegenheid tot dansen en de prijswinnaars van het filmfestival te zien.

Ondertanden

Mijn tandarts verwijdert Chinese muren. Vernoemd naar de tand van een meisje dat geen Nederlands kon en door de aanhoudende pijn op een dag in zijn stoel belandde.
Dat was geen tand, vertelt hij trots. Daar moest een boor aan te pas komen.

Ik lach een beetje, in zoverre ik dat kan, en houd mijn hoop gevestigd op het spiegeltje aan het steeltje in zijn rechterhand.
Helaas. Hij trekt de lamp omlaag en spreekt van een stevig muurtje, onmiskenbaar van Chinese origine, daar schuilend achter mijn ondertanden.