Pieter


In 2001 interviewde ik Pieter Derks voor De Gelderlander. 17 jaar was hij toen. Hij woonde nog bij zijn ouders in Beuningen. Onlangs kwam ik het artikel weer tegen. Op de foto bij het stuk zit hij achter de piano. Sluik haar, wit gezicht, nog zonder de typerende bril. Een jochie.
.
Zelf was ik ten tijde van het interview ook een broekie, 19 jaar. Ik liep stage bij de streekredactie. Ik kende Pieter niet, was hem op het spoor gekomen via internet. Hij had een voorstelling gemaakt met de titel Luchtkastelen. Daarover zei hij: ‘Mensen denken vaak dat ze gelukkig zijn, terwijl dat niet zo is. Het is het verhaal van de burgerlijkheid. Mijn vraag is of een huis, een auto en een baan het ultieme geluk is.’
.
Ik vond dat destijds eerlijk gezegd wat clichématig klinken. Ik had geen optreden van hem gezien, maar ik twijfelde of het echt iets met hem zou worden. Zelf had ik er ook weleens over gedroomd cabaretier te worden.
.
Nu zijn we precies 17 jaar verder. Pieter is twee keer zo oud. Het verhaal is bekend: cabaretprijzen, De Wereld Draait Door, De Slimste Mens, Wie is De Mol?, Radio 1, uitverkochte zalen.
.
Is zijn succes met terugwerkende kracht te ‘voorspellen’ aan de hand van het interview? Ik denk het wel. In het interview vertelde hij dat hij auditie wilde gaan doen voor de Kleinkunstacademie. Als hij niet zou worden aangenomen, zou hij toch verder gaan met cabaret.
‘Het is mijn voorlopige levensdoel. Ik wil met creativiteit door het leven komen. Ik wil gewoon heel graag op het podium staan.’
.
Zo blijkt achteraf zijn allereerste voorstelling veelzeggend. Pieter wist wat hij wou en dat was niet de burgerlijke route. Hij ging er vol voor.

Deze column verscheen eerder in De Gelderlander.

Honkvast

Ik heb weleens gehoord dat migratie een verschijnsel is van alle tijden. Zo kennen Nederlanders een lange geschiedenis van koffers pakken en je elders vestigen, of dat nu aan de andere kant van het land of van de wereld is. Maar als ik op een avond samen met mijn zus – lerares in Breda – de familielijn van onze vader natrek, dan blijken onze voorvaders tot in elk geval zes generaties terug in Beuningen te zijn geboren en overleden. Goed, een daarvan verhuisde naar Weurt en stierf daar, maar dat is een uitzondering van vier, misschien vijf kilometer.
.
Mijn zus deed een paar jaar geleden onderzoek naar onze honkvaste familie. Wat haar toen al opviel: ze waren niet allemaal boeren. Eentje was dakdekker, een ander koopman en herbergier.
.
We zoeken verder op internet. Mijn zus laat zien waar ze tijdens haar onderzoek heel enthousiast van werd: de krullerige handtekening van een voorvader. ‘Historische sensatie’, zo leerden wij op de opleiding Geschiedenis. In dit geval ‘persoonlijke historische sensatie’, want niet iedereen wordt geraakt door een krabbel van Claassen. Hoewel dit exemplaar wel typisch is. Voorvader Antoon spelde zijn naam verkeerd. Een ‘a’ ontbreekt, terwijl onze achternaam toen echt op dezelfde manier werd geschreven.
.
De lijn is te volgen tot Willem Claassen, begin 19e eeuw. Over Willem is weinig bekend. Geen jaartallen, woonplaats of beroep, alleen dat hij vader was. Hij zal voorlopig de enige Willem in deze lijn blijven. Ik kom als Nijmegenaar niet voor in dit verhaal, mijn zus evenmin. Het is onze broer die het bedrijf overneemt en die daardoor waarschijnlijk in Beuningen blijft wonen. En daarna volgt mogelijk zijn zoon.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Wilfred (2)


Ik ging er zondag eens goed voor zitten. Chips en drank bij de hand, kussentje in de rug, het volume iets omhoog. Na een lange, hete zomer was het dan zover. Hoe zou het onze Wilfred zijn vergaan?
.
Wilfred is familie van me, zo ontdekte ik na de eerste aflevering van Boer Zoekt Vrouw in mei. Zowel mijn vader als mijn moeder is ergens verwant aan hem. Ik vergeet steeds hoe dat zit. Het is ingewikkeld. In mijn vorige column over Wilfred had ik het verkeerd opgeschreven, bleek achteraf.
.
Terug naar zondag. De uitzending was nog maar net op gang toen Yvon het boerenerf in Beneden-Leeuwen opreed. Het bleken fifteen minutes of fame, of eigenlijk nog minder. Met zes brieven komt Wilfred niet wekelijks op de beeldbuis. Vanaf morgen volgen we vijf andere boeren.
.
Maar de kortstondige tv-carrière van Wilfred mocht er wezen. Hij moest een vrouw zoeken in de stal en een vrouw in de schuur. De eerste zei: “Ik ben bereid om te helpen”. Dat klonk heel officieel, alsof ze al voor het altaar stond en haar bijdrage aan het boerenbedrijf wilde vastleggen. Ook mooi was toen hij haar vertelde waar je een koe het beste kunt aaien. Achter de kruin, dat vinden ze fijn.
.
Mijn neef Heino, elektricien in Beuningen, ziet Wilfred regelmatig. Toen hij deze zomer een keer langs ging en een opgeruimd erf zag, vroeg hij: “Is Yvon geweest?” Een beetje plagen, want Wilfred mag niets zeggen, anders krijgt hij een fikse geldboete. Op Facebook zag Heino dat een vrouw die hij niet kende een foto van Wilfred had geliked. Hij denkt dat Wilfred iemand heeft gevonden, maar hij weet het niet zeker. Dat blijft ook nog even geheim. We moeten geduld hebben, tot de reünie.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kerktoren


‘Eén gebouw was er op mijn dorp, dat mijne grootste bewondering wekte. Dit gaf mij de indrukken, die mij het eerst met liefde voor de bouwkunst vervulden. Dat gebouw was de hooge kerktoren van Beuningen. Zulk een toren als deze was er in de geheele wereld niet te vinden, dacht mij.’
Ik lees dit in de autobiografie Bladzijden uit mijn leven van Johannes van ’t Lindenhout uit 1900. Hij kwam uit Beuningen, was een boerenzoon die zelf nooit boer werd en hij schreef. Tot zover de overeenkomsten. Van ’t Lindenhout staat vooral bekend als oprichter van Weesinrichting Neerbosch.
Over de kerktoren raakt hij niet uitgepend. ‘Ik heb er dikwijls naar staan kijken, en mij verbeeld dat hij al hooger en hooger werd, en wanneer dan aan de tegenovergestelde zijde een bui van donkere wolken aan kwam drijven, dan trilde mijn hart van vrees, dat zij tegen den mooien toren zouden botsen en hij daardoor omver zou vallen.’
Het is vooral de haan bovenop de toren die in zijn jeugd de aandacht trekt. Zijn vader vertelt hem het verhaal dat er vlak voor zijn geboorte een storm woedde waarbij het gebouw scheef zakte. Ze hadden ’m rechtgezet en bij die gelegenheid de haan er afgehaald. De leidekkers droegen hem op hun rug door het dorp en alle boerenmeisjes werden uitgenodigd om er overheen te springen. Dan konden ze voortaan zeggen dat zij over de haan van de kerktoren waren gesprongen.
Het moedigt me aan om weer eens naar de kerk te gaan. Voor de ingang tuur ik naar boven en probeer te voelen wat Van ’t Lindenhout, een protestant nota bene, als klein jochie voelde. Er staat geen wind, er zijn geen wolken en de toren wil maar niet groeien, hoe hard ik mijn verbeelding ook laat werken. Maar de goudkleurige haan staat trots te blinken in de zon.
Verderop schrijft Van ’t Lindenhout: ‘(…) ik heb al vroeg begrepen, dat er niets veranderlijker is in de wereld dan kerken, en het dus gevaarlijk is, daar zijne hoop op te stellen.’ In Beuningen was de kerk toen al minstens vijf keer opgebouwd en afgebroken. Aan toekomstvoorspellingen waagt hij zich maar niet.
Het doet me denken aan Afferden, Puiflijk, Deest, Horssen en Batenburg, waar de kerken de afgelopen jaren een voor een werden ontmanteld. Twee zijn er verkocht en in de andere drie vinden geen vieringen meer plaats, daar is het alleen nog de vraag wanneer ze in de verkoop gaan. Over de Beuningse kerk zou ook ik geen uitspraak durven doen.
.
Een verkorte versie van deze tekst verscheen als column in De Gelderlander.