Rond

In het centrum van Beuningen was een markt aan de gang. Een karige markt, iets van drie of vier kraampjes. Ik was van Nijmegen naar Beuningen gefietst, omdat ik de neiging heb alles bij het oude te laten. Ik ging naar de opticien voor een controle. Die opticien, gevestigd aan het marktplein, heb ik al twintig jaar of langer. Zo is het ook met mijn tandarts en huisarts, allebei hebben ze hun praktijk in Beuningen.
Toen ik voor de ingang van de opticien mijn fiets op slot zette, kwam mijn aangetrouwde tante (65) aanlopen. Ze droeg een boodschappentas met koopjes van de markt. Mijn tante verbaasde zich niet dat ze mij in het dorp tegenkwam, terwijl ik het centrum van Beuningen maar een of twee keer per jaar bezoek. Mijn tante woont pas sinds een jaar in het dorp.
‘Ik heb vroeger ook contactlenzen gehad,’ zei ze. ‘Al in 1974, toen bestonden die nog maar net. Na mijn scheiding nam ik een bril, de lenzen irriteerden. Misschien heeft het een wel met het ander te maken.’
Ze glimlachte.
Mijn tante houdt van ronde verhalen. Ze was de eerste echte liefde van mijn oom. Ze verloren elkaar uit het oog, tot ze elkaar bijna een halve eeuw later – beiden gescheiden en met volwassen kinderen – tegenkwamen op een reünie. Nu zijn ze getrouwd en is mijn oom, na decennialang in Rotterdam te hebben gewoond, teruggekeerd naar zijn geboortedorp. Ook zij laten het graag bij het oude.
Op de terugweg naar Nijmegen ging ik bij mijn ouders aan. Ik liet ze raden wie ik in het dorp had gezien, maar ze wisten het niet. Toen ik vertelde dat het mijn tante was, zei mijn moeder: ‘Nou zeg, ik ben haar dus nog nooit in het centrum tegengekomen.’

Kleine encyclopedie van Het verdriet


.
Dertig jaar geleden verscheen de eerste druk van Het verdriet van België van Hugo Claus. Vanwege dit jubileum komt De Bezige Bij dit voorjaar met een speciale editie van deze klassieker. Daarnaast verschijnt Kleine encyclopedie van Het verdriet, een bundeling van essays, ‘lemma’s’ (of lemmata voor de dure jongens) en een interview met Claus. O.a. Tom Lanoye, Maarten ’t Hart en Cees Nooteboom hebben een bijdrage geleverd. Ik ook. Ik schreef drie ‘lemma’s’ en bleef bij deze grootse roman toch maar een beetje bij mezelf. Ik koos voor Carnaval, Melkfabriek en Zeverkous.
.
Dit fraaie boekje is een mooie inleiding (of uitleiding) op Het verdriet van België en kun je bijvoorbeeld bij Bol kopen.
Mijn lemma’s lees je ook hieronder.
Lees verder Kleine encyclopedie van Het verdriet

Moe

‘Je bent altijd moe als je hier bent,’ zei mijn moeder.
‘Maar dit keer heb ik geen hoofdpijn.’
Ik stond voor het raam. Het gras zag er slecht uit. Mijn vader zei dat het door het weer kwam.
‘Het hoeft maar even warmer te worden, meer zon, een regenbui, en het ziet er heel anders uit.’
Ze zaten op de bank met koffie voor zich. Voor mij een kop thee.
‘Zullen we die oude filmpjes weer gaan bekijken?’ vroeg mijn vader.
‘Alsjeblieft nee,’ zei ik.
Mijn vader zat al op zijn hurken voor de tv. In zijn hand de dvd waar mijn zus ooit oude familiefilmpjes op had gezet. Hij bekeek de dvd-speler.
‘Willem, hoe werkt dit?’
‘Ik moet naar de wc,’ zei ik en stond op.
Ik bleef lang op de pot zitten. Aan de muur hing een A4 met daarop een gedicht over een koe die moest baren en moe was. Het kalf overleefde het niet. Ik had het gedicht zelf opgehangen, meer dan een jaar geleden. Ik vroeg me af of ze het ooit hadden gelezen.
Er werd op de deur geklopt.
‘Gaat het?’ vroeg mijn moeder.
Ik spoelde door en opende de deur.
Mijn vader zat nog steeds voor de tv. Hij had de afstandsbediening erbij gepakt. Hij drukte, maar er gebeurde niets.
‘Willem,’ zei hij.
‘We kunnen ook een eind gaan wandelen,’ zei mijn moeder.
‘Met dit weer?’ vroeg ik.
Even overwoog ik om naar huis te gaan, maar ik was met de fiets. De vermoeidheid en de kou hielden me tegen. Bovendien zou mijn moeder me niet zo snel al weer laten gaan.
Ik nam plaats op de bank, sloot voor even mijn ogen. Langzaam ademde ik uit.
‘En is er nog iets gebeurd op de boerderij?’ vroeg ik.
Mijn vader dacht na, terwijl hij naar de tv staarde die nog altijd uitstond.
‘Niet echt. Ja, er is een kalf geboren, vrijdag. Een maaltje. Maar dat gebeurt wel vaker.’
‘Help hem maar even,’ zei mijn moeder tegen mij. ‘Ik wil die filmpjes ook wel weer zien.’
.

Slapende pik

Ik vertelde Kiezel dat ik soms een slapende pik heb. Pas nog. Ik zat op de fiets en hij ging verkeerd liggen. Ik merkte het pas toen ik afstapte. Ik liep erbij alsof ik heel nodig moest poepen.
‘Waarom vertel je dat aan mij?’ vroeg Kiezel.
‘Ik weet het niet. Misschien omdat we het een paar keer over slapende lichaamsdelen hebben gehad.’
‘Maar toen hadden we nog iets. En toen ging het nooit over je piemel of iets in die buurt.’
We waren bij mij thuis. We dronken wijn. Ik had een zak pinda’s geopend.
‘Bij jou slaapt er altijd wel iets,’ zei Kiezel. ‘Een voet, een been, een arm, en je piemel dus blijkbaar ook. Het komt omdat jij lang stil kunt zitten.’
‘Heb jij daar dan nooit last van?’ vroeg ik.
‘Ik wil het wel, het is een interessant gevoel, maar ik moet er heel hard mijn best voor doen.’
We keken een film op tv. Kiezel drukte ondertussen met haar ene arm op de andere. Ik vroeg of ik haar moest helpen.
‘Het is beter als je me niet aanraakt, dat weet jij ook.’
Bijna een uur lang hield ze haar armen in dezelfde houding. Op het eind kermde ze van de pijn. Het hielp niet. De onderliggende arm wilde maar niet gaan slapen.

Star-struck

Onlangs leerde ik het woord star-struck kennen en moest ik denken aan die keer dat ik met Arnon Grunberg bij de wc’s stond. Het was een groot openbaar toilet met wel twintig wc’s en dus ook twintig wasbakken met spiegels. Bij een van die spiegels waste ik mijn handen. Toen ik opzij keek, zag ik een paar wasbakken verderop een kleine man met een flinke bos krullen. Een heel kort moment, het moet minder dan een fractie van een seconde zijn geweest, besefte ik niet dat het om AG ging. Ik registreerde slechts dat er nog iemand in de ruimte was. Maar toen drong het tot me door. AG stond op het punt een lezing te gaan houden die ik bij zou wonen, dus heel vreemd was het niet dat hij daar voor die spiegel stond. Ik ben geen fan, maar ben dat wel geweest, vooral toen hij boeken schreef onder de naam Marek van der Jagt. Maar fan of niet, het blijft AG. Ik probeerde me zo normaal mogelijk te gedragen, alsof ik het niet doorhad, alsof zijn aanwezigheid me niet in de weg zat, maar mijn lichaam had al gereageerd nog voor ik het in toom kon houden. Ik schrok, zoals je van onverwachte knal kunt schrikken. Het hoofd schoot iets naar achteren, het gezicht verstrakte, het hart versnelde. Star-struck. Heel even maar. Hoe vaak zou hij dit niet meemaken? Iemand die schrikt en dan met alle macht probeert te doen alsof er niets aan de hand is. Ik gaapte halfslachtig. AG droogde zijn handen, liep weg en verdween uit de spiegel. Het water bleef over mijn handen stromen. Ik keek naar mijn kop. AG was here. Ik wachtte nog even.

Overvecht

donderdagavond, grote genade
bang voor van alles en hoe het zal gaan

Overvecht – Spinvis
.
Vroeg op de zondagavond stond ik voor het raam van een slaapkamer in Overvecht, een wijk met cijfers. Ik had een vuilniszak en een rol plakband in mijn handen. Een jonge vrouw met een hoofddoek liep voorbij. Ze zag me niet, maar had me wel kunnen zien, als ze iets omhoog keek. Toen ze uit zicht was, hield ik de zak voor het raam en plakte hem vast.
.
Het was mijn eerste dag in Overvecht. Ik zou me voor een week opsluiten in een rijtjeshuis dat tijdelijk niet werd bewoond. De slaapkamer had geen gordijnen. Het meisje van wie het huis nog heel even was, stelde voor dat ik vuilniszakken voor de ramen zou hangen. Dan werd ik niet in alle vroegte gewekt door het licht. Ik hing drie zakken op en hield het daarbij. Dat het licht nu nog steeds door een deel van het raam zou dringen, nam ik voor lief.
.
Die nacht lag ik in de hoek op een matras op de grond. Ik kon niet slapen en las een Noors boek. Ergens tussen twee en drie viel de middelste vuilniszak naar beneden. Dat gebeurde in een fractie van een seconde, alsof iemand aan de zak had getrokken. Niet lang daarna viel de tweede. Met vermoeide, half dichtgeknepen ogen keek ik naar het raam en wachtte op de derde, maar de derde bleef hangen.
.
Hele dagen zat ik in de studeerkamer achter mijn laptop. De studeerkamer bevond zich aan de achterkant van het huis. Elke keer als ik uit het raam keek, zag ik groepen jongeren voorbij komen. Ze liepen dwars over het pleintje waar ik op uitkeek. Het verbaasde me. Ze liepen daar midden op de dag en altijd in groepjes. ’s Nachts droomde ik dat die jongeren zich verzamelden op het plein. Er stond iets te gebeuren, maar het was onduidelijk wat. Ze hadden allemaal capuchons op, waren onrustig. Op een gegeven moment stormden ze op het huis af waar ik verbleef. Ze klommen tegen de muur, braken door het raam. Ik verstopte me op de wc. Een mes werd door de deur gestoken. De punt van het mes glinsterde. Ik werd wakker.

.
Op de laatste avond was er in de flat aan de overkant een feest aan de gang. In de slaapkamer deed ik mijn trui en shirt uit en hoorde ineens gelach. Het zwelde aan toen ik mijn broek uittrok. Keken ze naar mij? Vanaf het matras tuurde ik naar buiten, maar ik kon niks zien. Voorzichtig kroop ik over de vloer langs de muur naar het raam en ging in de hoek op mijn knieën zitten. Ik zag slingers, verder niets. Misschien keken ze nog steeds de slaapkamer in en zagen ze zelfs mijn bange oog in de hoek. Ik wist het niet, ik had mijn lenzen al uitgedaan.
.
Vlak voor ik Overvecht verliet, kwam het meisje van wie het huis nog heel even was langs. Ik haalde de overgebleven vuilniszak van het raam. Zij vertelde dat de jongeren die in groepjes over het plein liepen op een school in de buurt zaten. Ze waren steeds op weg naar het winkelcentrum of kwamen daar vandaan. Via het pleintje was de kortste route. In de flat aan de overkant hingen de slingers tussen het raam en de gesloten gordijnen. Dat hoefde niets te betekenen, maar het stelde me gerust. Ook omdat er op de vensterbank geen flesjes, blikjes of asbakken stonden. Volgens het meisje was dit een heel rustig deel van Overvecht. Nooit gedoe, geen rare dingen. Als in een dorp. Alleen was er vorig jaar wel iemand doodgeschoten, achter die flat. Dat wel.
 .

Om het niet nodeloos ingewikkeld te maken

Voor Festival Mooie Woorden schrijf ik sinds kort columns. Of ja columns, het zijn eigenlijk whatsapp-gesprekken. Ze vroegen me dat te doen omdat ik in december mijn allereerste smartphone heb aangeschaft. Om het niet nodeloos ingewikkeld te maken heet de serie ‘Willem sms’t’. Maar het is dus eigenlijk whatsappen wat ik doe. Dat u dat weet.
.
Die whatsapp-gesprekken heb ik trouwens steeds met een jonge schrijver. De eerste was met Elfie Tromp en daarin begon al snel de kliko te domineren. Ik moest haar zinnen uit Park sms’en. Dat ben ik nog vergeten: bij elk gesprek zit een geheime opdracht. Lees hier ‘Ik ben opgegroeid met kliko’s’.
.
Bij Nasja Covers mocht ik de autocorrect niet gebruiken. Een auto-incorrect interview als het ware. ‘Ik mocht de autocoureur niet gebruiken’ lees je hier.
.
Met Maurits de Bruijn moest ik het over moeders hebben. Dat vind ik een fijn onderwerp. We besloten om de thematiek van het gesprek te beperken tot slechts twee moeders, die van hem en die van mij. Maar misschien staan zij wel model voor alle moeders in de wereld. ‘Moeders geloven in judo’ lees je hier.

.
Als je van overzicht houdt: hier staan alle columns op een rijtje.

De onderbreking

En opnieuw wordt een nacht onderbroken.
Er is een krakend bed, een gang, een badkamer, een wc. Er is een hoofd. Er is een spoelknop, een scheurkalender, een gang, een krakend bed. Een lichaam dat ligt, beweegt misschien, maar ligt.
Er is een hoofd.
Er is een telefoon en daarin is het nacht. Alles ligt stil daar, woelt misschien, maar het blijft nacht.
Een hoofd. Een hoofd dat draait. Opnieuw een telefoon met daarin de nacht en dan weer alleen een hoofd.
Een krakend bed.
Een boek.
Een hoofd.
Een lichaam. Bewegend, maar liggend.
Een hoofd.
Er zijn vragen, maar er is maar één hoofd.

Twintig jaar

Het maken van fouten is een gezonde bezigheid. Het levert altijd wat op.
In Invisible van Paul Auster vertelt de hoofdpersoon over de tijd dat hij als student in een grote universiteitsbibliotheek in New York werkte. Een klassiek baantje: hij moet de ingeleverde boeken op de juiste plek terugzetten. Hoewel het werk leidt tot interessante vondsten, zoals een boek uit 1670, is het bovenal oersaai. Op een bepaald moment – de hoofdpersoon is rustig tussen de kasten bezig – komt de opzichter, Mr. Goines, naar hem toe. Goines zegt niets, maar gebaart dat hij even mee moet lopen. Twee rijen verder, ergens halverwege, stopt de opzichter. Het is precies op de plek waar de hoofdpersoon twintig minuten eerder een aantal boeken heeft teruggezet. Goines haalt twee boeken uit de kast. Ze stonden niet naast elkaar, er zat een meter tussen. Hij toont de ruggen. De boeken blijken niet op de juiste plek te zijn teruggezet. Het ene boek had op de plaats van de ander moeten staan, en andersom. Door de eentonigheid van het werk heeft de hoofdpersoon een fout gemaakt. Goines vraagt hem goed op te letten, want dit mag nooit meer gebeuren.
‘Als een boek op de verkeerde plek wordt teruggezet, kan hij voor twintig jaar zoek zijn,’ zegt hij. ‘Misschien zelfs voor altijd.’.
Dankzij de fout die de hoofdpersoon maakt en de mogelijkheid dat hij daarmee een boek voor twintig jaar kan laten verdwijnen, begrijpt hij hoe belangrijk het is dat hij zijn werk goed doet. Het werk in de bibliotheek stijgt voor hem in waarde. Ineens ervaart hij macht, over het boek en over de lezers. Maar de opmerking van Goines prikkelt ook zijn verbeelding. Door een kleine, onbewuste handeling kan een boek voor eeuwig zoek raken, terwijl het nog altijd in dezelfde ruimte staat, op slechts een meter afstand van de juiste plek.
Ik heb in mijn studententijd twee bijbaantjes gehad. Ik was postbode en werkte bij een pluimveebedrijf. Bij beide baantjes lag verveling op de loer. Het zal vaker dan één keer gebeurd zijn dat ik bij het kippen lossen een kip teveel in een kooi heb gestopt. Dit zal nooit ontdekt zijn door mijn baas. Ik denk niet dat het om een kwestie van leven en dood ging, maar wel om een kwestie van leven. Ik bepaalde in welke kooi die kip zijn leven voortzette. Dat besef ik me nu pas..
Als postbode heb ik meer dan een keer de post van een hele straat verkeerd ingegooid. De huisnummers klopten, de straatnaam niet. Als ik een envelop in een brievenbus stak, was ik hem in principe kwijt. Soms lukte het nog net om hem met mijn vingers terug te halen, als ik merkte dat ik fout zat. Maar vaker was de envelop al op de deurmat beland. Dan deed ik een briefje door de gleuf waarop stond dat ik per abuis post op het verkeerde adres had bezorgd. Ik had de macht echter volledig uit handen gegeven. Het was de persoon achter die deur die bepaalde of de envelop ooit nog op het juiste adres kwam, al was dat misschien maar één straat verder.