Taal

Als jonge vader verbaas ik me er regelmatig over hoe moeilijk het is om als kind je moedertaal onder de knie te krijgen. Dat gaat echt stapje voor stapje, niets komt vanzelf.    

Mijn oudste (5) gaat sinds deze week weer naar de kleuterschool en daar leert ze spelenderwijs alvast een beetje lezen en schrijven. Sommige letters vindt ze lastig omdat ze zo op elkaar lijken, zoals de ‘b’ en de ‘d’. Ook de ‘e’ gaat vaak mis, dan maakt ze er een ‘9’ van. Ons regionale accent werpt extra obstakels op. Tijdens de vakantie las ze een woord waar een ‘f’ in voorkwam. Ze vroeg welke letter dat was en ik zei het haar voor. Ze keek me niet-begrijpend aan. Ze zocht naar de ‘v’. “Maar dat is toch die letter?”. 

Als mijn dochter spreekt, gaat het ook niet altijd goed. Ze maakt fouten met ‘de’ en ‘het’, evenals met verledentijdsvormen: koopte, slaapte, ik heb verliest. Maar daarover hoef ik me geen zorgen te maken. Taalkundige Sterre Leufkens vertelt in een onlinefilmpje dat het hier om de ondoorzichtige eigenschappen van het Nederlands gaat. Er zit geen logica in. Ze noemt het de ‘mannentepels van onze taal’.
“Ze zitten er, zien er interessant uit, hadden misschien ooit een functie, maar wat je er nu aan hebt is een raadsel.”
Leufkens onderzocht 22 talen op zulke mannentepels en het Nederlands blijkt de meeste tepels te bevatten. Het is daarom niet vreemd dat een kind tot z’n achtste nog fouten maakt met ‘de’ en ‘het’. 

Het mooie is dat ik me, doordat ik er nu dicht op zit, weer herinner hoe het vroeger bij mezelf ging. Bijvoorbeeld het moment dat ik naar een rij vreemde tekens keek en me niet kon voorstellen dat ik die ooit zou kunnen ontcijferen. Eigenlijk is het een wonder dat ik hier nu al deze zinnen achter elkaar kan schrijven.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Quiz

Mijn gehandicapte zus wist van haar verjaardagsfeest nog nadrukkelijker háár feest te maken toen ze een zelfbedachte quiz aankondigde. In de tuin van mijn ouders, waar het festijn plaatsvond, legde ze de spelregels uit. We moesten ‘dingen van vroeger’ over haar noemen. Het mocht van alles zijn en we konden daarbij punten verdienen. Zij zou controleren of het klopte en ook bepaalde zij om hoeveel punten het zou gaan. Met een brede grijns keek ze rond, zo van: kom maar op met die herinneringen!

Eerder op de dag zat ze er nog heel anders bij. Dat was nadat ze zich door mijn broer naar de wei had laten leiden. Hij zei dat hij een verrassing had. Nieuwsgierig was ze achter hem aan gelopen. Zou het een cadeau zijn? Of zouden haar neefje en nichtje voor haar optreden? Pas midden in de wei kreeg ze door dat het een grap was. De waterstraal van de sproeier kwam dreigend op haar af. Mopperend maakte ze zich uit de voeten. Dat dit geintje impact had, merkten we toen mijn broer een tijd later een hand op haar rug legde. Ze schrok, dacht dat het weer een grap betrof en begon hard te huilen. Alle spanning moest eruit.

Nu met de quiz had ze de touwtjes volledig in handen. We noemden haar vakanties in Friesland, de taxichauffeurs die haar naar school en de dagbesteding brachten, haar eenmalige optreden met de Beuningse dansmariekes, die keer dat ze een permanentje liet zetten, haar gebroken arm, de disco op haar school waar mijn zus en ik ook naartoe mochten. We trokken willekeurig laatjes van haar archiefkast open, waarbij mijn zus even willekeurig punten uitdeelde. De een kreeg er 10, de ander 1. Ze genoot volop van haar show.
‘Ja ja, 45 jaar alweer,’ zei mijn vader die de quiz won.
‘En ik doe het nog steeds goed!’ schaterde mijn zus. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Uitnodiging

Enkel en alleen door de hitte kon het gebeuren dat op een ochtend deze week een vreemd kind in onze woonkamer stond. Ik zat in mijn onderbroek op de bank, naast mijn oudste die – ook in onderbroek – tv keek. Snel sloeg ik een kleedje om me heen. Ik had mijn bril nog niet op, maar ik merkte dat het kind, een meisje, ook een beetje beduusd was van de situatie. 

Het was niet moeilijk te achterhalen hoe ze was binnengekomen. Toen ik wakker werd had ik meteen de voor- en achterdeur opengezet om de koele ochtendlucht door het huis te laten gaan. Het meisje had de openstaande voordeur als een uitnodiging beschouwd. Ze stapte daarmee niet alleen een drempel over, maar ook de grens tussen openbaar en privé. 

Mijn oudste had het meisje niet meteen in de gaten, maar toen ze opkeek herkende ze haar. Met bril zag ik het nu ook. Ze waren klasgenoten. Het meisje woonde een eindje verderop en had al een keer bij ons gespeeld. Ze vroeg of ze weer met mijn dochter mocht spelen. Mijn oudste sprong enthousiast op, waardoor ik er niet echt over na hoefde te denken.  

Niet veel later stond een boze man voor de deur, in badjas en op blote voeten. Hij was niet boos op mij, maar op zijn dochter. Die mocht een blokje om, maar als ze iets anders ging doen moest ze dat laten weten. Na zijn reprimande vroeg hij of het voor ons een probleem was. Nee, dat was het niet.

Ik vond het wel mooi dat we voor even onze privacy hadden opgegeven. Net zoals dat soms gebeurt bij kamperen. Dan maakt het niet uit of iemand in zijn onderbroek zit. Het laat zien dat we ook allemaal maar mensen zijn. Zeker in een tijd waarin hitte voor meer agressie en geweld zorgt, is het fijn daaraan herinnerd te worden. Al laat ik de voordeur voortaan toch maar dicht. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Vlieg

We hebben een vlieg in de auto. Hij moet zijn meegekomen van de boerderij van mijn ouders. Mijn jongste heeft hem als eerste opgemerkt. Ze gilt. Dat is niet gek. Ze gilt wel vaker om een vlieg. Het gillen houdt aan. De vlieg laat zich niet kennen. Ik draai de ramen open, maar hij duikt naar achter, verdwijnt in de achterbak, keert terug, cirkelt om mijn dochters, harder gegil, schiet voorbij de voorstoelen, langs een open raam, maar hij laat zich niet verleiden. Ik wapper met mijn vrije hand en even voel ik hem. Zo klein, zo licht. Hij kriebelt. Maar de vlieg is niet van slag. Opnieuw zoekt hij alle hoeken van de wagen op. Het gillen van de jongste neemt af. Ze wil nog wel doorgaan, maar dat lukt haar niet meer zo goed. Ze hoest. Ze wordt schor. De oudste heeft zo haar eigen methodes. Ze fluistert: ‘Vliegje. Vliegje.’ 
Het is een vlieg die op koeienruggen heeft gezeten (en daar zwiepende staarten heeft ontweken), maar ook op de rand van een emmer, op een weidepaaltje, op schrikdraad en op stront misschien. Op het Beuningse platteland wreef hij rustig zijn pootjes tegen elkaar. Daar heeft hij nu geen tijd voor. Hij maakt nog maar eens een rondje. De jongste is stil. Alleen haar gezicht gilt nog. 
Als we thuis zijn en uitstappen, wil de vlieg niet meteen mee. De oudste houdt de deur open. ‘Kom,’ fluistert ze. Hij neemt afscheid van onze auto en vliegt dan weg. Over de straat, over de huizen en de tuinen, de stad in. Op de stoep kijken we hem na. Ik denk hem nog te zien, maar ik weet het niet zeker. Het kan ook een vlekje voor mijn ogen zijn.  
‘Komt ie nog terug?’ vraagt de jongste. 
‘Misschien,’ zegt de oudste.
Ik sla een arm om de jongste en laat mijn neus even op haar hoofd rusten. Ze ruikt naar boerderij. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Eb

Op het strand van Cadzand, 233 kilometer van hier, bracht ik in de brandende zon een eerbetoon aan de kerk van Ewijk. En meteen ook aan die van Winssen, Horssen, Puiflijk, Batenburg, Afferden, Heumen, Beek en ga zo maar door. Met vliegers en rennende kinderen in de nabijheid en het alles overstemmende geluid van golven, gegil en spattend water werkte ik geduldig en secuur aan een godshuis van zand. 

In het begin hielpen mijn kinderen nog mee. Ze groeven kuilen en sloegen met vlakke handjes tegen een muurtje om hem stevig te maken. Maar de zee lonkte en ze lieten me al snel alleen achter met mijn kerk. Soms is het opmerkelijk eenvoudig om de symboliek van iets in te zien. Daar kwam nog iets bij: het was eb toen ik mijn Heilige Johannes XXIII bouwde. Ik maakte iets waarvan ik wist dat het over enkele uren opgeslokt zou worden door het water. 

Daar in Zeeland had het nieuws me nog niet bereikt dat de kerk van Beuningen juist vaker zijn deuren zou gaan openen. Buiten de vieringen, om tot rust te komen, een kaarsje aan te steken, een praatje te maken met een ander. Een mooi idee. Zou mijn eerbetoon met die kennis er anders uit hebben gezien?

De kerk van Ewijk heb ik maar twee of drie keer in mijn leven bezocht. De strandversie werd dan ook niet bepaald een kopie. Ik nam mijn vrijheid, als een ware kunstenaar. Mijn kerk bleef maar uitdijen en toen we het strand verlieten stond er een heuse Sint-Pieter. Met veertjes en schelpjes op de koepels en torens in plaats van marmeren en gouden tierelantijnen. De kinderen kwamen kijken en moesten toegeven dat hij toch wel erg mooi was geworden. Toen wilden ze gaan. Ik sloeg nog snel een kruisje, al twijfelde ik of ik dat op de goede manier deed. Links, rechts of rechts, links?

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Pijn

Ik reed de teststraat in bij de Nijmeegse GGD en tot op dat moment had ik geen negatieve associatie bij het woord ‘test’. Sinds februari was ik niet meer echt verkouden geweest. Nu wel, en mijn kinderen ook. Dus ging ik “even een testje doen”, zoals ik het formuleerde tegen mijn zus. 

Ze zeggen weleens dat je pijn vergeet. Dat je hersenen ervoor zorgen dat je concrete pijn later niet meer exact kunt herinneren. Ik heb een andere ervaring. De verpleegkundige legde rustig uit wat er ging gebeuren. Ze zou een lang wattenstaafje in mijn keel steken. “Daar kun je kokhalsneigingen van krijgen.” Ik kreeg die neiging, al viel het me mee. 

Maar toen de neus. “Het kan vervelend aanvoelen, maar het mag geen pijn doen.” Dat is psychologisch natuurlijk. Enerzijds moet je een beetje voorbereid zijn op wat komt, anderzijds moet je niet van tevoren al in paniek raken. “Kies maar een neusgat uit”, zei ze. Ze drukte de staaf goed door. Ik trilde op de stoel, mijn armen maakte ongecontroleerde bewegingen. Alleen het oog boven het betreffende neusgat traande, maar het was wel een stortvloed. 

Ik vraag me af of ik dit pijn mag noemen. Bij een man schijnt de pijngrens lager te liggen dan bij een vrouw. Bij mij misschien nog wel lager. Ik schaam me ervoor. Eigenlijk heb ik nooit echt pijn gehad. Geen wortelkanaalbehandeling, geen arm uit de kom, geen ziekte. “Alles doet pijn,” zei mijn vrouw. Ze had het tegen mijn dochter die jammerde bij het zoveelste paar schoenen dat ze paste, maar ik betrok het op mezelf. 

Door een gesprek met een lotgenoot, iemand die ook getest is, voelde ik me uiteindelijk erkend. Hij zuchtte en steunde toen hij over zijn ervaring sprak, en op een gegeven moment liet hij dat ene woord vallen. “Pijn”. Yes! Ik was niet alleen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Missie

In 1916 kwam in Beuningen mijn oudtante Annie ter wereld. In 1941 trad ze toe tot de Zusters van Liefde. Ze kreeg de naam Zuster Materna, maar voor de familie bleef ze ‘tante Annie’. Ze werkte in het blindeninstituut in Grave en later, in de jaren 70 en begin jaren 80, op een school in Washabo, Suriname.Ik heb diep respect voor mijn oudtante. Ze koos ervoor om voor lange tijd in een ver, onbekend land arme kinderen te helpen. Ik heb haar niet gekend, ze overleed in 1993, maar binnen de familie gold ze als de liefste tante. In brieven aan mijn ouders toont ze zich betrokken. Op foto’s staat een vitale, charmante vrouw. 

Dat is het verhaal van mijn oudtante, maar het is niet het hele verhaal. Ik heb er nooit echt bij stilgestaan dat het missiewerk hand in hand ging met het kolonialisme. De zusters en paters bouwden scholen en ziekenhuizen en brachten tegelijkertijd hun godsdienst mee. In ruil voor onderwijs en zorg werden mensen overgehaald hun eigen geloof af te leggen. Dat kwam de Nederlandse overheid goed uit, zo behield het ook op dat vlak de macht over de Surinaamse bevolking. 

De Vlaamse politicoloog Olivia Rutazibwa zegt dat de zusters en paters moeilijk iets te verwijten valt. Wat ze deden, deden ze met de beste bedoelingen. In het huidige debat zou het volgens haar ook niet moeten gaan over wie schuldig is. Dat staat de pijnlijke waarheid alleen maar in de weg, namelijk dat racisme altijd structureel is, een ideologie. In een interview laat ze zien dat racisme in de koloniale tijd werd gebruikt om een kapitalistisch systeem te rechtvaardigen. “Je moet een logica hebben om mensen te kidnappen, ze van de ene naar de andere kant van de wereld te brengen en aan het werk te zetten.”

Dit verleden galmt nog altijd na.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Het interview met Olivia Rutazibwa heeft me dagen bezig gehouden. Het is als video en als podcast hier te vinden.

Huizen

Op 23 september 1991 duwde ik drie aan elkaar geniete papiertjes door de brievenbus van het gemeentehuis met daarop veertig handtekeningen. Ik vond dat destijds ontzettend veel. Mijn actie richtte zich tegen de groei van Beuningen. Er was toen net begonnen aan de bouw van Den Balmerd. Ik vond dat het dorp groot genoeg was en dat ze moesten stoppen, per direct. 

Typisch: er is heel wat onrecht in de wereld om tegen te strijden en ik koos als eerste verzetsdaad voor dit. Gedreven door een misplaatst nostalgisch gevoel, waarschijnlijk onbewust gevoed door mijn ouders, mijn grootouders en Het Dorp van Wim Sonneveld. 

Het protest leverde me een sticker, een rondleiding door het gemeentehuis en een correspondentie met de burgemeester van zes brieven op. Maar in feite was mijn actie als 9-jarige een grote mislukking. Na Den Balmerd volgde De Heuve, De Beuningse Plas, De Rietlanden en De Hutgraaf. Elke keer als er in Beuningen een paal de grond in gaat, herinnert me dat aan mijn beperkte invloed. 

En dat is, zeker achteraf gezien, maar goed ook. Op dit moment hebben 40.000 Nederlanders geen huis, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Sinds 2010 is het aantal daklozen verdubbeld, onder jongeren van 18 tot 30 jaar zelfs verdrievoudigd. Het woningtekort is opgelopen tot 315.000 woningen. Het nieuwe plan van de gemeente Beuningen om de komende tien jaar 3.000 huizen te gaan bouwen, kan ik dan ook alleen maar aanmoedigen. 

Ik heb een keer uitgerekend dat Beuningen sinds de geboorte van mijn vader acht keer zo groot is geworden. Met het nieuwe plan zal dat voorbij de tien gaan. Dat is misschien jammer, maar we hebben de foto’s en verhalen nog. En ergens in het archief van het gemeentehuis drie aan elkaar geniete papiertjes.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Blind

Eens brachten drie landbouwwetenschappers uit Tanzania een bezoek aan onze boerderij. Ze werden rondgeleid op het bedrijf en daarna was er koffie en appeltaart in de woonkamer. Wij zaten er als kinderen bij en maakten tegen oma, ook van de partij, de grap dat het schmink was op hun gezichten. Dat ze het eraf konden halen. Heel even was oma in verwarring. Wij gniffelden. We wisten dat die grap eigenlijk niet kon, maar we dachten dat het niet zo erg zou zijn omdat ze ons toch niet konden verstaan.

Door de vele protesten kwam deze herinnering weer boven. Net als dat incident bij de fanfare, in dezelfde periode of ietsje later. Bij de slagwerksectie zat een jongen van kleur. Hij werd volledig opgenomen in de vereniging. We waren trots, omdat we dankzij hem een diverse club hadden. Toch was er een moment dat ik niet zal vergeten. De jongen moest van de dirigent een passage opnieuw spelen omdat het nog niet goed zat. Ergens aan de andere kant van het orkest, waarschijnlijk onverstaanbaar voor die jongen, zei iemand: “Je zou verwachten dat ze ritmischer zouden zijn”. 

Ook hier wist ik dat het niet kon, dat het erg was. Maar niet hoe erg, als ze dit achter je rug om zeggen, als dit de wereld is waarin je leeft, elke dag. Zouden zulke grappen tegenwoordig nog gemaakt worden? Ik vrees van wel. 

Een vriendin vroeg zich laatst af hoe zij en ik en velen met ons zo lang zo’n blinde vlek konden hebben voor Zwarte Piet. Het is het zoveelste bewijs dat mensen maar een beperkt zicht hebben op hun omgeving. Er ligt zoveel buiten ons gezichtsveld. Blinde vlekken waar anderen je jarenlang op moeten wijzen, net zolang tot jij ze ook ziet. 

Ik ben het zat. Die vlekken moeten weg. Bij mij. Bij iedereen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dozen

Al jaren zegt mijn moeder met enige regelmaat dat ik meer los moet laten, maar nu ze aan het verhuizen is vraag ik me af of ze het niet al die tijd tegen zichzelf had. Pas stapte ik na lange tijd weer over de drempel van mijn ouderlijk huis en verbaasde me over de spullen die er nog stonden. Hier een kast, daar een schilderij en overal waar ik keek dozen. Ze is al maanden bezig en slaapt alweer een behoorlijke tijd in de nieuwe woning die naast het ouderlijk huis is gebouwd, maar blijkbaar ontbreekt het op de boerderij aan een flinke schep. Een schep waarmee je alle rommel zonder pardon het huis uit kiepert. 

Mijn moeder hoorde zwijgend mijn commentaar aan en zette me aan het werk. Ik moest van de spullen die van mij waren bepalen wat weg kon en wat niet. Zo transformeerde ik weer helemaal in de zoon van mijn moeder. Ik deed precies hetzelfde als zij. Een uur lang was ik bezig met twee dozen, wat slechts resulteerde in een klein kan-weg-stapeltje. Het was een achtbaan van herinneringen. Ik duikelde van het ene schooljaar in het andere, wat me soms deed glimlachen maar vaak ook pijnlijk was. Zoals de harde opmerkingen van de leraren in de kantlijn. ‘Je hebt de kern weer niet begrepen.’ Toch besloot ik het te bewaren, omdat ook dat bij mijn schooltijd hoorde. 

Het doet me denken aan de twee oude zussen die hun hele leven samenwoonden in de straat van mijn ouders. Toen hun huis werd afgebroken, nam de grijper van de sloopmachine een hap uit de bovenverdieping en versplinterde een kast die daar nog tegen de muur stond. De vele spullen die erin lagen vielen op en tussen het puin. Alles in dat huis was leeggeruimd, behalve die volle kast. Alsof ze daar zoveel mogelijk in hadden gestopt. Niets is moeilijker dan loslaten.

Deze column verscheen in De Gelderlander.