De Stratenmakers Voor Mijn Huis Show

Iedere morgen word ik gewekt door het gepruttel van diesel in een graafmachine.
Mijn straat is een berg zand en elke keer als ik deur uitga, stap ik in die berg. De stratenmakers zijn jong, jonger dan mij, en dragen kniebeschermers. Dat is niet voor niets, want ze zitten de hele dag op hun knieën. In de graafmachines, hoog boven de grond, zitten leden van de oude garde. Met versleten knieën.
De stratenmakers vinden het niet erg dat ik over hun werkterrein loop. Ik ben ook niet de enige. Het winkelend publiek loopt ongestoord over het zand en de losse stenen. Soms zie je iemand vanuit een portiek kijken naar de zware arbeid die verricht wordt. Het heeft iets onwerkelijks zo tussen de etalages met exotische bloemen en peperdure jurkjes.

Op sommige momenten weet ik niet meer hoe mijn straat was zonder de stratenmakers. Het lijkt of ieder uur Robin S. uit de stereo klinkt. Om de tien minuten claxonneert de graafmachine. Heel kort, om iets duidelijk te maken. Af en toe schreeuwen de mannen van de straat. Rond vier uur wordt het altijd stil.

Er lijkt geen eind aan te komen. Ik voel me schuldig dat ik niet meewerk aan deze grootschalige opknapbeurt. Misschien helpt het dat ik elke dag wat zand meeneem naar mijn kamer.

Aan Elke

Ha Elke,

Willem uit Wanssum hier. Nou ja, niet helemaal Willem uit Wanssum natuurlijk, maar dat wist je al. Je hebt de mensen die er naar vroegen goed verbeterd.
Het was inderdaad een korte ontmoeting. Je had me eerder in de gaten dan ik jou. Ik twijfelde nog even of jij het zou zijn. In feite stond ik gewoon te stamelen tegen een Echte Schrijver. Ik weet dat dat een mythe is -dat van die Echte Schrijver, daar lees ik nu een boek over- maar toch. En dan ook nog Walter van den Berg in de buurt. Dat hele verhaal van ‘Gevonden’ en ‘Ik heb haar ontdekt’, daar kwam het niet van. Er waren ook geen vrienden in de buurt om voor op te scheppen. Ik was maar wat blij dat er flesjes water voor mijn schrijvers stonden. Zo had ik wat te doen.
Het was trouwens een bijzondere ruimte, tussen die twee zalen in. Met daarin Marijke Helwegen en een computer zonder internet. Het grootste deel van de tijd in die ruimte heb ik fluisterend doorgebracht omdat er of in de ene of in de andere zaal opgetreden werd, soms tegelijkertijd. Ik heb me in die ruimte vooral proberen te ontspannen, of juist proberen te concentreren of nog wat teksten opgeschreven. Aankondigen is ook een vak.
Maar er komt vast een dag dat we elkaar wat langer kunnen spreken. Zo groot is het literaire wereldje niet. En dan kunnen we elkaar weer online brieven schrijven. Maar dat je nu elk blogbericht aan mij wilt richten… dat lijkt me wat teveel van het goede. Dat wil ik je echt niet aandoen.

Bis bald,
Willem

Mies

Je zou het haast denken, maar niet ieder Sinterklaasverhaal loopt goed af. Of anders gezegd: er is in elk geval één Sinterklaasverhaal waarbij een happy end ontbreekt. En dat is deze.

Ik was elf toen ik met mijn zus en neef het idee kreeg om Zwarte Pietje te spelen. We zouden vier achterneefjes en –nichtjes verblijden met een Pietenbezoek. We schminkten ons, trokken pofbroeken aan en deden een Pietenmuts met Pietenveer op. Een juten zak werd gevuld met pepernoten. Het leek net echt. Zingend liepen we de straat op. Mies, onze lapjeskat, ging met ons mee.

Het huis waar we moesten zijn, bevond zich vijfhonderd meter van ons vandaan. Het enige obstakel was de Van Heemstraweg, waar het verkeer toen nog met 80 overheen raasde. Daar moesten we goed uitkijken. We kenden de gevaren.

Eenmaal bij de Van Heemstraweg was Mies nog steeds bij ons. Dat vonden we geen goed idee. Mijn zus gebaarde naar het beestje dat het terug moest gaan. Mies draaide zich half om. Wij dachten dat ze het begrepen had. We keken links, rechts, links en staken over. De kat was echter meegelopen. Mijn zus stak opnieuw over en lokte Mies mee. Vervolgens keerde ze, goed oplettend, terug naar de overkant. Daar ging het fout. Mies kwam haar achterna. Haar poten werden geraakt. Mies kermde. Een volgende auto scheurde de kat open. Vanaf de berm zagen we hoe het lichaam over het asfalt kronkelde. In shock liepen we toch verder. Huilend stonden we voor de deur van mijn achterneefjes- en nichtjes. De schmink droop van onze gezichten. Toen de deur openging, snikte mijn zus: “Ik durf niet meer over te steken.”

Alle antwoorden na een festival

willemendejugend
– De winnaar heet Pascal den Hartog.
– De verliezer heet de pers, en dan met name mijn eigen werkgever, vanwege de karige aandacht voor het mooiste festival van Nederland.
– De beste vervanger heet Isolde. Hulde!
– De een-na-beste vervanger heet Lucky Fonz III.
– De liefste afzegger heet Miss Montreal.
– De spannendste en meest ongrijpbare gast heet Don Diego Poeder.
– De meest enthousiaste dichter heet Nyk de Vries.
– De meest geschrokken dichter (excuses nogmaals!) heet Annemieke Gerrist.
– De meest bewonderde medewerker en tegelijkertijd de grootste pechvogel heet Marit.
– De meest gezongen regel is ‘Kan het niet meer stoppen! Ohowo’.
– De beste grap is Dennis die jarig is, kado ontvangt van de Wintertuin, per ongeluk mijn sms heeft ontvangen met daarin de titel van het kado, dit voordat hij het kado uitpakt noemt, en dan blijkt dat het een ander kado is en ik een eigen kado voor hem had.
– De een-na-beste grap is ‘Weekend Dennis Gaens?’
– De meeste vermakelijke combinatie is mijn verhaal op ANS-online en daaronder een advertentie van het Academisch Schrijfcentrum met de slogan: Moeite met schrijven?
– Het overheersende gevoel is vermoeidheid. Nog steeds. Maar ik ben gelukkig.

(Op de foto van links naar rechts achter me: Jop Luberti, Vicky Francken, de ogen van MoNiek de Vries, Niek Hayen, Ingeborg Klarenberg denk ik, en dan in de categorie oogjes dicht: Tim Devriese, Willem Sjoerd van Vliet en Eva Mouton)

Willem gaat Wintertuinieren

festiv-beeld-08

Dat betekent weinig modder en lijm de komende dagen, maar dat betekent ook:

– Mijn Manuelletje voordragen in Doornroosje!
– Een prachtig muziek/literatuur-programma regisseren (Komt allen naar Poetracks, Hugo Claus gezongen door topmuzikanten)
– Aankondigingen doen tijdens dé festivalavonden.
– Paul Bogaers interviewen en vervolgens de prijsuitreiking van de plagiaatwedstrijd van Op Ruwe Planken.
– Samen met WS, Debby en ome Frank het festivalblog bijhouden, met de laatste ontwikkelingen.
– Een volle week waarbij de adrenaline in verhoogde snelheid door het lichaam zal schieten, terwijl je tegelijkertijd het gevoel hebt van vakantie-of-grote-reis-met-leuke-mensen-waar-je-hele-dagen-mee-optrekt-of-zoiets-als-carnaval-maar-dan-beter.

Hoop u te mogen begroeten tijdens een van de vele Wintertuin-programma’s!

Zub

kaartwilhelminalaan1

Zub stond midden in de nacht op het hoogste punt van de Wilhelminalaan, daar waar de lange straat verandert in een viaduct over de A73. Zub was radeloos. De Rus, die sinds 4 jaar in Beuningen woonde, was niet van plan om te springen en ook niet van plan een stoeptegel naar beneden te gooien. Nee, zo radeloos was hij ook weer niet. Maar hij had wel zijn vrienden gealarmeerd. Die lagen nu voor hem op de grond. ‘We zijn er klaar voor’, riep er één.

Aylin was Turks, maar modern Turks. Zij mocht met een Rus gaan, geen enkel probleem, maar dan moest die Rus er geen ander liefje op nahouden. Dan was het voor haar meteen voorbij. Zub wist dat hij het eigenlijk niet meer goed kon maken. Alleen hier had hij nog een kans, op dit viaduct, waar zij elke morgen onderdoor zoefde op weg naar haar werk.

Zub haalde adem en schudde de spuitbus in zijn hand. Toen liep hij naar zijn vrienden, hurkte bij hen neer en kroop naar de rand van het viaduct. Twee kameraden grepen zijn enkels vast. Hun eigen enkels werden weer vastgehouden door twee andere vrienden. Het was een hoop gestuntel en er werd flink gevloekt, maar eindelijk was Zub waar hij moest zijn. Hij hing ondersteboven tegen de rand van het viaduct en begon gelijk de letters te spuiten, op de kop. Het was wonderbaarlijk. Zijn rechterhand had de hele avond getrild, maar hield nu stil. Zub hartje Aylin. Het stond er vastberaden, zonder uithalen. Deze radeloze Rus had het gewoon gedaan. Hij liet zich naar boven hijsen. Daar zou hij wachten op de volgende morgen.

Manuel (2)

Het was weer raak. Voor de vierde achtereenvolgende dag had Manuel de emmer, waar ooit chocoladeijs in had gezeten, volgekotst. Hij slikte vijf keer om te voorkomen dat er nog meer naar boven zou komen. Met een oude handdoek veegde hij vervolgens zijn mondhoeken schoon. Als mensen hem zouden vragen hoe het met hem ging, zou hij eerlijk zijn: ‘Ik voel me alsof ik voor de vierde achtereenvolgende dag een emmer heb volgekotst waar ooit chocoladeijs in heeft gezeten’.
Een keerpunt liet gelukkig niet lang op zich wachten. Omdat zijn wc al teveel stonk, liep Manuel in zijn ochtendjas en met de emmer in zijn hand de straat op. Hij zocht naar een putje, maar dat bleek niet eenvoudig. Daar moest hij flink wat meters voor maken. Toen begon hij te zwieren met de emmer. Zomaar. Hij wist ook niet waarom. Eerst ging het nog tamelijk voorzichtig, maar al snel ging het harder, zoals de Halve Maen in de Efteling. Er vielen scheuten kots uit de emmer. Het kon Manuel niet schelen. Hij wist ook wel dat hij morgen weer stond te kotsen, maar voor nu voelde hij zich even alsof hem een dagje naar de Efteling in het vooruitzicht werd gesteld.

Desie

desie
In de trein zitten drie meisjes. Klasgenoten. Eentje lijkt op Desie, van Dunya en Desie. Tenminste, dat zegt ze zelf. De anderen zijn het daarmee eens. Ze vertelt dat ze haar haren in de winter altijd zwart verft. In de zomer laat ze het blond, haar natuurlijke kleur.
‘Blond werkt gewoon niet in de winter.’
‘Je hebt nu wel iets arrogants over je. Dat zeggen sommige mensen over jou tegen mij’, zegt een van de meisjes.
‘Ja, maar dat heb ik ook in de zomer. Ik kom gewoon bitchy over’, reageert Desie, die er geen probleem mee lijkt te hebben.
Het gesprek verandert van onderwerp.
Een tijdje terug had Desie afgesproken met een jongen die ze kende via msn.
‘We gingen een stukje lopen, door het park weetjewel. Opeens pakt ie mijn hand vast. Ik dacht: wat is dit dan? Later op msn vroeg ie: zullen we ’t proberen?’
De meiden lachen.
Uit de intercom klinkt de conducteur: ‘Goedemorgen dames en heren. Het is 6 november en dit is Nijmegen.’