Batenburg


.
Ik ontving een vriendschapsverzoek op Facebook van mijn eerste liefde. Min of meer eerste liefde. Het was van het niveau ‘handjes vasthouden’ en ik vraag me sterk af of het wel tot handjes vasthouden is gekomen. Ze kwam uit Batenburg en daar zat meteen het probleem: de afstand.
.
We leerden elkaar kennen op De Groene Heuvels, wat op de route tussen haar en mijn huis precies in het midden lag. Ik weet nog dat we samen om de plas liepen. Zo lang was ik nog nooit alleen geweest met een meisje dat geen familie was. Er gebeurde uiteraard niets. Al snel daarna fietste ik van Beuningen naar Batenburg, een tocht van een uur. Ze had thuis een schommel en twee broertjes. We hingen wat rond bij die schommel en haar broertjes vroegen steeds of we gingen trouwen, wat ik vervelend maar ook wel leuk vond. We schreven een paar brieven en toen hield het op. Er was niet veel om over te schrijven, denk ik, en ik had blijkbaar geen zin om nog eens helemaal naar Batenburg te fietsen. Of de plas rond te lopen als er niets zou gebeuren.
.
Op Facebook bekijk ik foto’s van haar. Ik zou haar niet hebben herkend als ik haar op straat was tegengekomen. Er gaapt een groot gat tussen De Groene Heuvels en nu. Ik kan me nu, in het bezit van een auto en een gezinsleven, ook moeilijk voorstellen dat ik een uur heen en een uur terug zou fietsen om iemand te bezoeken. Als ik met mijn dochter een rondje door de wijk fiets, ben ik de straat nog niet uit of ze roept vanuit haar zitje: ‘Duurt-ta-lang!’ Ik begrijp dat wel. Al zou het wel mooi zijn: een uur verlangen op de fiets en een uur nagenieten. Tenminste, als het goed is.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

 

 

Bioscoop

Het was een goed idee van mijn gehandicapte zus en dat vond ze zelf ook. ‘Ik ben slim hè!’ Haar meest gebruikte zin, maar dit keer had ze helemaal gelijk. We hadden de bioscoop voor ons alleen.
Terwijl de zon ondraaglijk hard op het dorp scheen en er op de boerderij gekuild werd – zwaarste klus van het jaar – konden wij in de zaal met airco zitten waar we maar wilden.
.
Al een half jaar geleden had ik mijn zus beloofd om een keer samen naar de film te gaan. Telkens kwam er iets tussen, maar dan herinnerde mijn zus me na een tijdje weer fijntjes aan mijn belofte.
.
Het was mijn eerste bezoek aan de bioscoop in Beuningen. Mijn zus pakte de menukaart, die op het tafeltje voor onze stoelen lag, en wees het eerste plaatje aan dat ze zag. Bitterballen, graag. En een cola-light.
Ik liep de zaal uit naar de kassa, maar dat was niet de bedoeling. Je moest bij je stoel op het knopje drukken en dan kwamen ze de bestelling opnemen, ook als er verder niemand in de bioscoop was.
‘Zijn we een servicebioscoop of niet?’ zei de medewerkster vrolijk.
.
Het licht werd gedimd. We zetten de 3D-bril op. Ondanks de jampotglazen van haar eigen bril paste deze er nog wel bij. Terwijl de eerste smurfen over het scherm huppelden, zocht ze naar de bitterballen. Ik hielp haar door de schaal voor haar neus te houden, maar het bleef lastig. Een bal werd pas bij de derde poging in de mosterd gedoopt.
.
De blauwe figuurtjes beleefden allerlei avonturen, maar mijn zus concentreerde zich vooral op één verhaallijn. Smurfin was de boosdoener, veel meer dan Gargamel, en zuslief maakte zich zorgen om Grote Smurf.
Toch kwam het allemaal goed.
.
Op de tandem fietsten we terug. Nog voor we op de boerderij waren, polste ze me voorzichtig voor een volgend uitje.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Verhaal op De Internet Gids

Voor De Internet Gids (de website van literair tijdschrift De Gids) onderzoeken 26 schrijvers wat het betekent om ergens bij te horen en alleen te zijn. Mijn aandeel aan het ‘Grote Groepsgevoel’ is een stuk proza over de ultieme schlemiel van de groep: de na-aper.

Een fragment:
Een paar dagen geleden fietste ik een tijdje achter vier puberjongens aan die op weg waren naar school. Ze reden twee aan twee en ik had de indruk dat dit hun vaste posities waren. Linksvoor fietste de leider. Hij had niet het hoogste, maar wel het laatste woord.

Het volledige verhaal lees je hier.

 

 

Notabele

Wanneer de bezetting goed is, dan krijgt het publiek iets moois te horen. Meestal zijn de kritieken na concerten lovend. Wij moeten er echter voor zorgdragen, dat het niveau zo blijft en mogelijk nog beter wordt. Want het is plezierig zulke positieve dingen over de club te kunnen schrijven.
.
Aldus Ab Bruisten, verenigingsman te Beuningen, in 2003 in het blaadje van fanfare Kunst en Volharding. Vorige week werd hij begraven. In de stukken die over hem verschenen, werd het nog eens opgesomd. Behalve voorzitter van de fanfare was hij actief bij de voetbalclub, de tennisvereniging, het Bevrijdingscomité en de kerk. Een architect, en daarmee een notabele. Een ouderwetse notabele, een uitstervend ras.
.
Ik heb Bruisten nooit echt gesproken en daardoor ook niet echt gekend. Toen ik hoorn speelde bij de fanfare hield ik afstand van het bestuur, net zoals ik op school afstand hield van mijn leraren. Ik zocht geen contact, omdat ik het idee had dat je iets van ze wilde als je contact zocht. Ook had ik niet zoveel met mensen die er boven staan, ik stond er liever tussenin. Ik was me nauwelijks bewust van hoeveel tijd en energie ze er in staken.
.
Toch had ik ook ontzag voor Bruisten. Een keer ving ik op dat hij elke zondag naar Buitenhof keek. Ik keek dat ook omdat ik journalistiek studeerde, maar ik begreep maar de helft van wat er in dat programma werd gezegd. Het vormde mijn beeld van hem.
.
De laatste tijd dacht ik nog weleens aan Bruisten. Ik hoopte dat hij mijn columns las en er iets van vond. Ik hoefde niet te weten of hij dat echt deed, de mogelijkheid was genoeg. Dat is de rol van de notabele. Hij staat er boven. Voor hem doe je je best.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Huwelijk

.
Mijn opa en oma trouwden op 20 mei 1941. Het feest was in Neerbosch op boerderij De Bloemberg, waar mijn oma was opgegroeid. Op het menu stond onder meer Julianasoep, Parijse aardappeltjes, kalfsoesters en vanille-ijs.
.
Op mijn oude slaapkamer ligt een doos vol papieren uit die tijd. Ik neem ’m door en vraag me af of het onvermijdelijk was dat ze elkaar in de oorlog het ja-woord gaven. Waarschijnlijk wel. Ze hadden grote plannen en daarvoor moest je getrouwd zijn. Ze wilden een boerenbedrijf starten aan de Wilhelminalaan in Beuningen en een groot katholiek gezin stichten.
.
De brieven aan het bruidspaar staan vol gelukwensen, de oorlog is bijzaak. ‘Die rare wereld’, zoals iemand het noemt, wordt liever onvermeld gelaten bij zo’n heuglijke gebeurtenis. Toch konden de briefschrijvers er niet omheen. Het gaat ook over voedselbonnen, evacuaties en bombardementen.
.
Piet van Schijndel schrijft het meest expliciet over de oorlog. ‘De groote Dictators van Europa, kunnen den vrede niet vinden, omdat ze elkaar niet verstaan en begrijpen willen. Gelukkig dat de schoone, fiere, Jonge Boer en Boerin de ware vrede nog moge vinden.’
En verderop: ‘Jammer dat de internationale toestand het niet toe laat, anders zou den Bloemberg vandaag verborgen liggen onder de vlaggen en wimpels. Maar ongetwijfeld weet ik dat dit Bruiloftsfeest thans, door u allen binnen met des te meer liefde en vreugde gevierd zal worden.’
.
Het huwelijk vindt plaats in de maand dat Joden niet langer welkom zijn in bioscopen. Het ergste moet dan nog komen. Lokaal: het neerstorten van een bommenwerper net buiten Beuningen en het Vergissingsbombardement. Internationaal: de Endlösung.
.
De enige foto van de bruiloft is een portret van mijn grootouders. Opa glimlacht naar de camera, oma kijkt enigszins gespannen naar iets achter de camera. Alsof ze wist dat de wereldgeschiedenis hen voorlopig niet met rust zou laten.
.
Deze column verschijnt in De Gelderlander.

Postfruit

.
Ze heeft haar ogen nog open, maar haar ademhaling is veranderd. Ik loop rondjes door de slaapkamer, omdat dat voor haar de beste manier is om in slaap te vallen. Die onmogelijke, gruwelijke slaap. Samen met de wind (‘hoetteniet de wind!’) haar grootste vijand.
.
Het is een flinke peuter die ik in mijn armen hou, ruim dertien kilo. Dat kolosale hoofd en die benen. Het valt me ineens op, nu haar zusje net geboren is. Het zal niet voor niets zijn dat we haar naam steeds uitspreken als we tegen haar zusje brabbelen. Ze is heel lief voor de baby en omdat ik moe ben moet ik bijna huilen om haar strijd tegen de slaap.
.
Toen ik vanavond begon met de rondjes wilde ik voor haar zingen, zoals ik altijd doe, maar dat mocht niet. Elke keer als ik begon, zei ze ‘nee, nee’ en legde ze haar hand op mijn mond. Dat had ze nog niet eerder gedaan. Misschien hoorde het bij het gevecht tegen het slapen, maar misschien was het een ander gevecht. Dat van het niet meer klein willen zijn.
.
‘Gaan slapen’. Die woorden mag ik niet gebruiken.
‘Naar bed’ ook niet.
‘Een dutje doen’ ook niet.
‘Even rusten’ evenmin.
Toch was er vanavond een vorm van acceptatie. Ik mocht van haar zeggen: ‘Even een slaapje doen en dan naar opa en oma’. Dat opa en oma morgen helemaal niet op de planning staan, zorgde voor een minihuilbui.
.
Eindelijk heeft ze haar ogen dicht. Aan de andere kant van de muur kermt haar kleine zusje, maar dat hoort ze niet. Haar ogen bewegen onder haar oogleden. Ik tel langzaam af van honderd naar nul. In de hoek van de kamer ligt Ik wil naar verder van Anne Provoost op de grond. Mijn blik wordt steeds naar dat boek getrokken.
‘Ze kan nog niet lopen,’ merkte ze vandaag op tegen de kraamvisite.

Als ik haar wegleg, wordt ze even wakker. Ik ga er vanuit dat ze meteen verder slaapt, maar ze kijkt op en lacht naar me. Ik zeg: ‘Nu echt gaan slapen’. Ze gaat liggen, de ogen open, maar het is snel gedaan.
In de verte zoeft de snelweg.
.

Alle stukken in de Fruit-serie staan hier onder elkaar.

 

Vingerafdruk

.
Bij de kinderopvang van mijn dochter werken ze met vingerafdrukken. Als ik haar wegbreng of ophaal moet ik bij de ingang mijn rechterwijsvinger op een klein kastje leggen en dan zegt de poort ‘klik’. Op dagen dat ze niet verwacht wordt, als ik bijvoorbeeld haar vergeten laarsjes op moet halen, is er geen klik. Dan moet ik aanbellen.
De opvang bevindt zich niet in de grote boze stad, niet in een buurt met een slechte naam, niet in een anonieme nieuwbouwwijk, maar in een pittoresk dorpje hier in de omgeving. .
.

The times they are a-changin’. Onlangs kwam ik mijn vroegere leider van de Beuningse Boys tegen. Hij vertelde dat hij videobanden van vijfentwintig jaar geleden aan het overzetten was naar dvd. Er zaten ook beelden bij van wedstrijden en hij ontdekte dat hij in de kleedkamer had gefilmd. ‘Dat kon toen nog,’ zei hij.
.
Op een feestje begin ik tegen een goede vriendin, moeder van drie kinderen, over het systeem met de vingerafdrukken. Ik vraag of het bij haar opvang in de stad ook zo wordt gedaan. ‘Nee, daar loop je zo binnen.’ Ze vindt die vingerafdrukken juist een onveilig idee. Tenminste, dat is haar eerste reactie. Ze vertelt dan over de bouwvakkers die in de buurt van haar opvang aan het werk waren. Bij de ingang hadden ze foto’s van hen opgehangen. ‘Ik begreep niet meteen waarom dat was, maar ik was daar toch wel blij mee.’
.
Ik denk aan mijn leider van vroeger, iemand die nooit iets kwaads heeft gedaan, daar durf ik mijn beide handen, en ook mijn beide voetbalvoeten, voor in het vuur te steken. Angst heeft vat op ons, en misschien is dat terecht. Maar het komt uiteindelijk toch vooral neer op iets wat van alle tijden is: de goeden lijden onder de kwaden.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Niet weten

1.
Een kruiwagen en een ladder bungelen elke avond aan een kraan voor het huis. Ik heb op Google opgezocht wat het betekent, waarom de bouwvakkers dat doen, maar ik kan er niets over vinden.
Het is ook wel mooi om het niet te weten, om het een mysterie te laten zijn. Behalve als er uiteindelijk een eenvoudige, praktische reden achter schuilgaat. Dan is het vooral knullige onwetendheid.
.
2.
P. is boos op de wind.
‘Hoetteniet wind!’ roept ze vanuit haar zitje, voor op de fiets.
Ze schudt met haar hoofd, veegt de haren uit haar gezicht. De elementen, ze heeft het er niet zo op.
Ik grinnik, omdat ze niet weet wat haar te wachten staat. Ze zeult de hele dag met een babypop, maar ze heeft geen idee.
Voorlopig maakt ze zich druk om de wind.
.
3.
Vier weken geleden stond bij mijn ouders een ooievaar in de wei. Ik kreeg een foto onder ogen met de vraag hoe het met de buik van S. stond. Als het kind op die dag of in die dagen erna was geboren, was er meer tussen hemel en aarde geweest.
Inmiddels is de ooievaar al lang vergeten. Hij komt op plekken waar niemand in verwachting is, waar niemand hem opmerkt.

4.
In de nieuwbouwwijk staan de koop- en huurhuizen door elkaar. Ik probeer te raden welke koop en welke huur zijn. Ook probeer ik te raden welke mensen die hier rondlopen kopers en huurders zijn. Ik geef ze een stempel nog voor ik ze heb gesproken.
.
5.
Met een peuterfiets en een peuterrugzak in mijn handen loop ik door de stad, zonder kind in de buurt.
Er wordt naar me gekeken.
Ik weet zeker dat er naar me wordt gekeken.

6.
Op het terras schuiven de luidruchtige dames met hun doorrookte stemmen van schrik naar het puntje van de stoel.
39 weken? brengen ze tegelijkertijd uit.
Ze kijken naar de buik van S.
Dan wordt het een jongen, zegt de een.
Ja, dan wordt het zeker een jongen, zegt de ander.
Kom hier over een maand terug, dan weten we of we gelijk hebben, zegt de een.

Park


.
Een vriend vertelde me pas dat hij elke keer als hij een Anta Flu in zijn mond stopt, moet denken aan mijn eerste boek. Het is nu precies vijf jaar geleden dat Park uitkwam. In het eerste hoofdstuk schrijf ik over Anta Flu’s: ‘Mijn moeder vond dat snoepjes. Ik vond het meer iets voor als je last hebt van je keel.’
.
Park is onomwonden autobiografisch. De hoofdpersoon heet Willem en de eerste zin luidt: ‘Mijn moeder bracht me naar Beuningen.’ Het boek gaat over het jaar dat mijn leven stilstond en ik in mijn eentje in een chaletpark woonde. Een bijzonder aspect van een autobiografisch verhaal is, en dat drong pas later tot me door, dat het nooit af is.
.
Neem de omgeving waarin het boek zich afspeelt. Om van mijn werk bij het park te komen, moest ik met mijn fiets dwars door een nieuwbouwwijk. Ik vond die wijk maar niets. In het boek probeer ik dat subtiel weer te geven: ‘Om de paar huizen stond er een ooievaar in de tuin. Op het fietspad moest je uitkijken voor kinderen op stepjes en driewielers.’
.
Er is een paar jaar overheen gegaan en mijn leven is in een stroomversnelling gekomen. Ik ben drie keer verhuisd, vader geworden, getrouwd en mag binnenkort een tweede kind in slaap gaan wiegen. Sinds enkele maanden woon ik op steenworp afstand van het park, in een nieuwbouwwijk die net is aangelegd en die naast de wijk ligt waar ik over schreef.
.
Ik kijk nu anders tegen veel dingen aan en daarmee is het boek een tijdsdocument geworden. Dat blijkt alleen al uit deze passage over mijn broer en zijn dochter: ‘Hij zong een kinderliedje. Hij deed het zonder aarzelen, met een iets te hoge stem. Het was heel vreemd om mijn broer zo bezig te zien.’
.
Park is hier te verkrijgen.