Zus

Alleen haar kin is in beeld. Er zit een beetje tandpasta op. Ik zeg er wat van. Ze wrijft met haar wijsvinger, maar niet op de goede plek. 
“Iets lager”, zeg ik. “Ja, daar ja.” 

Al bijna drie weken zit mijn oudste zus in quarantaine. Corona sloop het Thomashuis in Druten binnen en zorgde voor de ene na de andere besmetting. Lang leek mijn zus op haar kamer de dans te ontspringen. Zo was ik met haar aan het videobellen toen ze te horen kreeg dat haar zoveelste test negatief was. “Je mag een beetje juichen”, zei haar begeleider, en dat deed ze dan ook.

Maar een paar dagen later volgde alsnog de andere uitslag. Die kwam hard aan. Mijn zus huilde hartverscheurend, maar hervond zich. Later gaf ze grappend de schuld aan degene die haar had getest. “Ze hebben ’m in het verkeerde neusgat gedaan.” 

In het voorjaar kreeg ik een filmpje toegestuurd. Te zien was hoe mijn zus samen met haar huisgenoten bij een prikhal naar buiten stapten. Ze juichten toen niet een beetje, maar vol overgave. Alsof ze net een doelpunt hadden gescoord. Een prachtige scene. En hoewel het treurig is dat ze nu toch besmet is geraakt, zijn de klachten bij haar en haar huisgenoten dankzij het vaccin minimaal. 

Ondertussen blijkt hoe fijn het is dat mijn zus zich prima alleen kan vermaken. De afgelopen weken zong ze mee met karaoke, speelde ze met haar Fisher-Price-poppetjes, keek Flikken Maastricht in herhaling en hield zich bezig met strijkkralen. Ook haar huisgenoten slaan zich er opvallend goed doorheen, blijkt uit de dagelijkse mail-update.

Diep respect heb ik voor het personeel, die door de besmettingen op halve kracht en volledig ingepakt alles doen in huis. Een ware uitputtingsslag. Als ik aan deze zorgmedewerkers denk, krijg ik een brok in mijn keel. Niets dan lof!

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Oudoom

Vorig weekend leerde ik onverwacht mijn oudoom Wim kennen. Toen ik tegen mijn ouders zei ik dat ik in Angeren ging voordragen, begon mijn moeder over haar oom die daar in 1944 door een bominslag was omgekomen. Vaag herinnerde ik me dat ze er al eens over had verteld. “Er staat een oorlogsmoment, zoek het maar eens op.” 

Nu, dat zoeken hoefde niet, want mijn optreden vond plaats in de protestantse kerk en als ik uit het raam keek zag ik het monument op de dijk staan. Aan de overkant van de straat bevond zich een oorlogsgraf met daarin 27 personen, waaronder Wim. Alles duwde me richting het verleden. En dat in oktober: mijn oudoom stierf in deze maand. 

De volgende dag zei mijn moeder dat ze heel lang niets wist van het bestaan van haar oom. Thuis spraken ze niet over de oorlog, behalve als je je bord niet leegat. Pas later hoorde ze over de bom in Angeren. De 28-jarige Wim was een weekend bij zijn verkering Willemien op bezoek. Ze zaten te eten toen de boerderij waar ze woonde werd geraakt. 

Het verhaal gaat dat het dagen tot weken duurde voordat mijn familie in Neerbosch wist wat er was gebeurd. Contact houden was moeilijk in oorlogstijd. Het voelt wrang dat als ik zijn naam bij Google intyp zijn bidprentje meteen verschijnt. ‘Nog zien we hem heengaan, niets vermoedend van het ontzettende leed, van de groote rampen, die over deze streken zouden neerkomen’, staat op de achterkant van Wims foto.

Na het optreden stond ik met een paar andere schrijvers op de dijk waaraan de boerderij had gelegen. We keken uit op de uiterwaarden. Een van de schrijvers wees op vier populieren in de verte. Ze zagen er alle vier net iets anders uit, maar waren even lang en de takken begonnen steeds op dezelfde hoogte. “Dat is een familie”, zei de schrijver.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Hier loopt er een eentje, een vader

Iedereen schijnt naast een kalenderleeftijd ook een gevoelsleeftijd te hebben. Die van mij schat ik op 15 jaar. Zeker weten doe ik het niet en dat past dan weer bij die leeftijd. Ik voel me een Beunings jochie van 15 dat dagelijks over de Van Heemstraweg fietst, dat twijfelt over alles en de wereld nog moet ontdekken. 

Het is in dit opzicht niet vreemd dat ik me soms niet echt een vader voel. Ik heb een heel ander beeld van hoe een vader is. Als ik richting school loop om mijn kinderen op te halen, moet ik af en toe tegen mezelf zeggen: hier loopt er eentje, een vader.

Ik verbaas me ook weleens over de impact die mijn woorden hebben op mijn dochters. Ik schat die steevast lager in. Mijn jongste dochter (4) ligt ’s nachts weleens te gillen. Als ik ga kijken, schreeuwt ze: “Ga weg!”. Blijkt later dat ze over mij heeft gedroomd, omdat ik overdag een keer tegen haar ben uitgevallen.

Als mijn kinderen me heel hard knuffelen en behoefte hebben aan aandacht, zie ik dat ook niet altijd aankomen. Ik moet vaker stilstaan bij mijn rol en dat hoe ik me gedraag en wat ik zeg gewicht heeft. 

“Soms voel ik me niet een vader”, zei ik pas tegen mijn buurman die drie jonge kinderen heeft. “Och, wil je erover praten?”, grapte hij. Maar zelf heeft hij zijn kinderen aangeleerd dat ze hem aanspreken met zijn voornaam.

Ondanks de impact die ik op haar heb, lijkt mijn oudste dochter (6) soms wel ouder dan ik. Ze heeft net haar eerste voortand gewisseld, eindelijk, maar haar gevoelsleeftijd schat ik op 16, misschien 17. Haar lichaamstaal is behoorlijk puberproof. Ze zegt nog net geen ‘duhuh’ of ‘tssss’, maar ze rolt al aardig met haar ogen. En sinds kort heeft ze de stijlvorm ironie ontdekt.
“Vond je het eten lekker?”, vroeg ik gisteren.
“Ja hoor, hééél lekker”.   

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Naaktslakken

Blijkbaar moest ik helemaal naar Friesland afreizen om te ontdekken dat naaktslakken best mooie beestjes zijn. Ik had ze vast ook op het Lurvinkpad of op het fietspad langs de Schoenaker kunnen vinden, maar dit is wat een vakantie met je kan doen. In de buurt van het dorp met de fantastische naam Ee (in het Fries: Ie) nam ik de tijd om ze eens rustig te bestuderen. Het is wonderbaarlijk hoeveel beweging er in zo’n fraai gevormde slak kan zitten. Alles aan hun lichaam werkt mee, net als bij een slang. En glijdend over het slijmspoor zat er ook behoorlijk wat vaart in dat beestje. 

De naaktslakken staken een fietspad over. Een vreemde behoefte eigenlijk, omdat ze aan de andere kant precies hetzelfde tegenkomen: gras en grond. Met al die fietsers wagen ze bovendien voor niks hun leven, maar dat weet zo’n slak natuurlijk niet. Ik vind het wel wat hebben. Er zit iets zorgeloos in. Ze gaan gewoon, ongeacht de risico’s. Alles zetten ze op het spel om aan de overkant te komen. Zonder angst en in een vloeiende beweging. 

Toen ik in de verte een fietser aan zag komen, kon ik het niet laten om een slak op te tillen en naar de overkant te brengen. Van schrik kromp het dier ineen. Ik pakte er nog een, maar er was geen beginnen aan. Er gleden er tientallen over het asfalt en ze zouden blijven komen. Ook als ik weer op de camping zou zijn. 

Op de camping zag ik dat eindeloze terug bij de trampoline. Mijn dochters klommen er al om acht uur ’s ochtends op. Ze deden allerlei trucjes, maar maakten vooral vrienden op het springvlak. Urenlang speelden ze ‘blinde mol’, door mijn jongste verbasterd tot ‘blindedarm’. Ze hadden geen idee meer van tijd en dachten ook niet aan eten of drinken. Buiten de trampoline was er niets. 

Dan ben je echt even weg. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Niet durven

1.
Vanmorgen stond ik voor de Kruidvat samen met een jongen te wachten tot de winkel openging. De jongen gaf de medewerkster die de deur opende een hand, noemde zijn naam en zei dat hij stage kwam lopen.
‘O, we dachten al dat je niet meer kwam.’
Ze liep naar buiten en wees hem de bel waar hij ’s morgens op kon drukken, dan zouden ze voor hem opendoen.
‘Loop maar naar achteren, daar verwachten ze je.’
Achterin de winkel opende de jongen een deur en even later klonk door de dunne muur de harde stem van de filiaalmanager.
‘We wisten niet of het vandaag zou zijn, maar het is dus vandaag.’
Ik vroeg me af hoe lang de jongen al buiten had gestaan.
.
2.
Op elke boom in mijn straat was een papier bevestigd waarop gewaarschuwd voor een kattenvergiftiger die actief was in de buurt. De tekst was ondertekend door Binkie.
‘Poot en kopje, Binkie.’
Het was deze vergiftigde kat dus in elk geval niet fataal geworden.
Opmerkelijk vond ik dat Binkie niet opriep om uit te kijken naar de kattenvergiftiger en/of aangifte te doen bij vergiftiging of bij het vinden van het gif. Nee, Binkie schreef dat  katten voorlopig binnen gehouden moesten worden.

Slijptol

Mijn broer kwam met een slijptol naar de stad. Ik was mijn fietssleutel kwijt en had twee weken lang alles te voet gedaan. Mijn fiets had al die tijd in een rek aan een drukke weg gestaan. Toen ik er zeker van was dat mijn sleutel niet meer zomaar zou opduiken, belde ik mijn broer. Hij kwam meteen, in zijn groene bestelauto vanuit het dorp. Geen moeite, zei hij.
Met de slijptol en een verlengsnoer stapte hij uit. Het was midden op de dag en mijn broer deed alsof het de normaalste zaak van de wereld was, alsof hij elke week een fiets bevrijdde met zijn slijptol en misschien deed hij dat ook wel. Bij de apotheek, waarvoor het fietsenrek eigenlijk was bedoeld, had ik van tevoren gevraagd of ik het stopcontact mocht gebruiken. Nu kwam ik de zaak binnen en duwde de stekker erin. Meteen was het geronk van de slijptol te horen. Ik keek toe op een paar meter afstand. De vuurvonken vlogen over de stoep, ik moest een stap opzij zetten. Terwijl mijn broer op zijn gemak zijn werk deed, keek ik wat onrustig rond. Er was niemand op straat en in de apotheek die ervan opkeek, een fietsenslot dat met een slijptol werd losgebroken.
Toen mijn broer klaar was, zei hij dat ik nu weer bij hem op bezoek kon komen. Ik vroeg of hij een kop koffie wilde. Dat wilde hij wel. Met de slijptol in zijn hand stapte hij zijn auto in en reed naar mijn huis, twee straten verderop. Ik ging hem op de fiets achterna.

Land

We zaten in onze glijbaan, maar hij gleed niet meer.
‘We hebben water nodig,’ zei ik.
Rein reageerde niet. Het leek hem weinig uit te maken.
Met pvc-buizen hadden we een soort van glijbaan gemaakt. We waren er al drie keer van af gegaan. Nu zaten we stil, midden op de glijbaan.
‘Dit is de grens van ons land,’ zei Rein.
‘Ons land?’
Hij gebaarde naar rechts, naar het weiland waar geen koeien stonden.
‘Tot de sloot daar,’ zei hij. ‘Ons land, we moeten nog een naam bedenken.’
Ik stak een vinger op.
‘Weiland.’
‘Niet leuk.’
Ik was nu vier jaar vrienden met Rein. Deze zomer trok ik bijna elke dag met hem op.
‘Waarom is dit niet het midden van het land?’ vroeg ik. ‘De hoofdstad. Dan is dit ons paleis.’
‘Nee,’ zei Rein. ‘We zitten op de grens. We moeten ons verdedigen en dit is het hoogste punt.’
Ik gooide grassprietjes op het stuk glijbaan voor ons.
‘Niet doen,’ zei Rein.
Nog een paar dagen voor de school weer begon. Het was gek, maar soms verlangde ik er hevig naar.
‘Als dit de grens is,’ zei ik, ‘waarom zitten we dan hier en niet op een ander stuk grens, aan de andere kant van het land?’
‘Dit is het gevaarlijkste stuk. Deze uitkijktoren is heel strategisch.’
‘Uitkijktoren? Je bedoelt de glijbaan.’
‘Uitkijktoren ja.’
Ik stapte uit de glijbaan, ging er naast staan.
‘Voorzichtig,’ siste hij.
‘Volgens mij komt er iemand aan,’ zei ik.
‘Ga dan snel weer voor me zitten.’
‘Nee.’
Ik deed mijn armen over elkaar.
‘Er komt niemand aan,’ zei Rein.
‘Wel.’
‘Niet.’
‘Nee, natuurlijk niet. Hier komt nooit iemand.’
Ik keek tegen de zon in. Ik had geen horloge, maar het moest ergens laat in de middag zijn.
‘Nou, ik ga water zoeken. Doei,’ zei ik.
‘Dan hoor je niet meer bij mijn land.’
Het was weer bijna zover. De laatste dagen gingen we steeds met ruzie uit elkaar.
‘Het land heeft niet eens een naam en het is niet jouw land.’
‘Het heeft wel een naam. Glinsterland.’
Ik proestte.
‘Glinsterland? Niet echt toch?’
‘Jawel.’
‘Oké, ik ben weg. Naar huis.’
‘Dan kun je niet meer terug. Dan kom je de grens niet meer over.’
Zijn stem sloeg heel even over.
‘Dat zullen we nog wel zien.’
‘Je hebt geen paspoort van Glinsterland.’
‘Jij ook niet.’
‘Wel waar. Je weet niet hoe het eruit ziet.’
‘Glinsterland is een slechte naam.’
‘Ik zet je het land uit.’
‘Dat hoeft niet.’
Ik schopte tegen de glijbaan. Rein stond dreigend op. Gisteren werd het vechten, maar nu was ik dat voor. Ik liep gewoon weg.
Iets van honderd meter verderop keek ik om. De glijbaan was maar klein, ik zag het nu pas. Rein was er weer in gaan zitten, in dezelfde houding. Hij keek me niet aan. Morgen bestond dat Glinsterland vast niet meer voor hem, zo ging dat altijd. Maar voor mij zou het nog wel bestaan, Rein en zijn Glinsterland, en ik kwam er niet meer.
.
Geschreven tijdens De Hollanders komen! op DOK in Gent. We maakten met vijf Nederlanders en drie Belgen het zine ‘Dit is over‘. Bovenstaand verhaal haalde het zine niet omdat er geen ruimte meer was en ergens keuzes gemaakt moesten worden.

Boom


.
In mijn straat lag een boom dwars over de weg, geveld door onweer. Het was diep in de nacht. Ik kwam met mijn fiets aanrijden en moest afstappen. Ik kon er maar op een manier langs. Er stonden mensen te kijken en te wijzen. Een boom op de weg, ze hadden hem horen vallen, er was niemand gewond geraakt.
De volgende dag fietste ik van huis weg. De boom lag er niet meer. Hij was in stukken gezaagd, de delen waren op de stoep gelegd, op straat enkel houtsnippers. Ik maakte een foto.
Later vertelde ik anderen over de boom en liet hun de foto zien. Iemand wees me erop dat de boom precies op het zebrapad moest zijn gevallen. Ik had dat helemaal niet opgemerkt. De boom over de weg was al indrukwekkend genoeg.