Fiets

Voor het dorpshuis van Weurt staat al twee maanden een fiets geparkeerd. Vorige week werd op de Facebookpagina van De Kloosterhof een oproep geplaatst: “Wie o wie mist zijn/haar fiets?”. Een foto toonde de tweewieler eenzaam badend in het zonlicht.
.
Ik zag de oproep langskomen en dacht met schrik aan de oude fiets van mijn vriendin. Zou dat ding nog steeds aan de Marialaan staan? Toen we in oktober van Nijmegen-West naar -Noord verhuisden, vergaten we de fiets met de lekke band mee te nemen. Ze stond toen al een tijdje voor onze flat, schuin hangend aan een kettingslot in het fietsenrek. Na de verhuizing reden we met de auto af en toe voorbij en elke keer kwam de fiets terug in onze gedachten, met het bijbehorende schuldgevoel. We moesten het sleuteltje vinden, de band maken en naar het nieuwe huis fietsen. Simpel, maar eenmaal thuis vergaten we de fiets weer.
.
Met mijn eigen fiets keerde ik ook een paar keer terug naar de flat. Dat was niet de bedoeling. Ik fietste van mijn werk naar ons nieuwe huis en raakte in gedachten verzonken. Ik sloeg af waar ik altijd had afgeslagen en voor ik het wist stond ik voor de flat. Een keer zette ik zelfs mijn fiets op slot en probeerde met de sleutel van het nieuwe huis de voordeur van de flat te openen. Het duurde even voor ik doorhad wat ik aan het doen was. Ik schaamde me nu niet alleen voor de fiets van mijn vriendin.
.
Het bericht over de fiets in Weurt werd 12 keer gedeeld. Binnen een dag was de eigenaar gevonden. Wij moesten ook maar eens actie ondernemen. Zondag pakten we doelbewust de auto naar de Marialaan. Stapvoets reden we langs de flat. De fiets was weg. Ons schuldgevoel nog niet.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Heimat


.
Toen ik een huis zocht in de stad, vroeg mijn vader of ik ook aan de omliggende dorpen had gedacht. Beuningen bijvoorbeeld.
Toen ik mijn trouwplannen bekendmaakte, merkte mijn vader op dat je de plechtigheid tegenwoordig niet meer hoeft te houden in de plaats waar je woont. Het kan ook in Beuningen.
En toen ik een sportvereniging zocht, zei mijn vader dat ik misschien verder moest kijken.
‘Wat dacht je van een club in Malden, Wijchen of… Beuningen?’
.
Mijn vader die tegen mij zegt dat ik verder moet kijken – het klinkt als een goeie grap. Hij is geboren in Beuningen, heeft nooit ergens anders gewoond en zal dat ook niet meer gaan doen. Als hij naar een bedrijf of instantie belt, is het eerste wat hij zegt: ‘Met Claassen uit Beuningen’. Toen hij dit voorjaar vakantie vierde op Terschelling, noemde hij de hoofdweg van het eiland steeds ‘de Van Heemstraweg’.
.
Mijn vader groeide op in een dorp met zo’n 2.000 inwoners. Weurt, Ewijk en Winssen waren destijds van ongeveer vergelijkbare grootte. In ruim zestig jaar zijn de inwonersaantallen van die drie dorpen verdubbeld. Maar Beuningen werd negen keer (!) zo groot. Mijn vader behoort tot de oude kern. Soms denk ik dat hij door die enorme groei zo gehecht is aan zijn dorp.
.
Uiteraard heb ik wat van die hechting meegekregen. Ik lees over Beuningen, schrijf over Beuningen en ik vergelijk op vakantie Rome met Beuningen. Dat gaat nog een generatie verder. Mijn nichtje vroeg eens (ze was toen 3) waar ik woonde.
‘Wat denk je?’
Ze dacht in Beuningen.
Toen ik mijn hoofd schudde, riep ze: ‘Ewijk!’
‘Nijmegen.’
Verwonderd herhaalde ze wat ik zei. Haar wereld werd ter plekke een stuk groter.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dochter


.
Bij mijn ouders hangt een foto aan de muur van mij als baby op schoot bij opa. De foto is gemaakt op een zonnige dag in onze tuin. Het is begin jaren 80. We wonen nog op de oude boerderij middenin het dorp, tegenover café De Vrijboom. Ik ben mollig, heb hamsterwangen en ik frons naar de camera.
.
Toen mijn eerste dochter was geboren, werd deze foto gedeeld in de Whatsappgroep van de familie. Om te vergelijken. In de eerste weken had ze veel van me weg. Volgens psychologen heeft dat met evolutie te maken. Pasgeborenen hebben een reden om meer op hun vader dan op hun moeder te lijken. Op moeders zorg kun je altijd wel aan, zij weet meestal wel welk kind van haar is. Van een vader die niets van zichzelf in het nageslacht herkent, moet je de zorg nog maar afwachten. Maar na een tijdje is dat niet meer nodig en verdwijnen de overeenkomsten tussen vader en kind. Zo ging dat ook bij ons. Al mijn kenmerken verdwenen. Ze werd een kopie van mijn vriendin in haar jonge jaren. Het enige van mij wat overbleef was de Claassenneus.
.
Dochter nummer twee, nu ruim drie maanden oud, lijkt nog steeds op mij en het ziet er naar uit dat dit zo blijft. Ze heeft de vormen die ik toen had: hamsterwangen, onderkin en breekbroodbeentjes. Een waar Michelinvrouwtje. Ook haar karakter komt overeen. Ze is rustig, kijkt veel en aandachtig rond, en ze kan zowel fronzen als lachen (nooit iets er tussen in). Ik vind het extra fijn om voor haar te zorgen, maar het doet wel iets met mijn zelfbeeld. Mijn vriendin vatte het samen toen ze een foto van haar naar vrienden appte. “Geen schoonheidsprijs, maar wel een zonnetje in huis!”, schreef ze er onder.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Glimlach

..
Dinsdagmiddag, Van Heemstraweg ter hoogte van Weurt. Vanuit mijn auto zie ik een man fietsen met een enorme glimlach op zijn gezicht. Ik herken hem meteen. Aan zijn houding, zijn snelheid, maar vooral zijn gezicht, met die glimlach. Hij is geen steek veranderd. Hij fietst van zijn werk naar huis, zoals hij dat al jaren doet, zo weet ik.
.
Frank Reuser.
Op de basisschool zat ik bij zijn oudste zoon in de klas. Ik kwam weleens bij hen thuis om te spelen.
Bij de Beuningse Boys was hij de leider van ons voetbalteam. Elke uitwedstrijd reed ik met hem en zijn zoon mee. Vanaf de zijlijn gaf hij aanwijzingen.
Op latere leeftijd werd hij lid van fanfare Kunst en Volharding. Hij kwam als hoornist naast me in het orkest te zitten. Nu waren de rollen omgedraaid. Tijdens de repetities wees ik hem aan waar we precies in de partituur waren.
Daar houdt het niet op.
Sinds twee jaar werk ik in het kantoorgebouw waar hij jarenlang heeft gewerkt. Zijn bedrijf is verhuisd naar een andere plek in de stad. Misschien zit ik met mijn bureau wel op de plek waar hij altijd heeft gezeten.
.
Frank Reuser op de fiets, sommige dingen veranderen nooit. Nog altijd is hij lid van de fanfare en nog altijd maakt hij deze dagelijkse rit van Beuningen naar de stad, en terug. En dan die ontspannen glimlach. Het is een glimlach die voor niets of niemand bedoeld is en dat vind ik er zo mooi aan. De glimlach is voor Frank zelf. Een binnenpretje. Het is een glimlach die mij aan het glimlachen maakt. Misschien wordt het opgepikt, ziet iemand mij in mijn auto glimlachen en neemt ’m over, zodat de glimlach de wereld over gaat. Dat zou mooi zijn, maar het hoeft niet.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Batenburg


.
Ik ontving een vriendschapsverzoek op Facebook van mijn eerste liefde. Min of meer eerste liefde. Het was van het niveau ‘handjes vasthouden’ en ik vraag me sterk af of het wel tot handjes vasthouden is gekomen. Ze kwam uit Batenburg en daar zat meteen het probleem: de afstand.
.
We leerden elkaar kennen op De Groene Heuvels, wat op de route tussen haar en mijn huis precies in het midden lag. Ik weet nog dat we samen om de plas liepen. Zo lang was ik nog nooit alleen geweest met een meisje dat geen familie was. Er gebeurde uiteraard niets. Al snel daarna fietste ik van Beuningen naar Batenburg, een tocht van een uur. Ze had thuis een schommel en twee broertjes. We hingen wat rond bij die schommel en haar broertjes vroegen steeds of we gingen trouwen, wat ik vervelend maar ook wel leuk vond. We schreven een paar brieven en toen hield het op. Er was niet veel om over te schrijven, denk ik, en ik had blijkbaar geen zin om nog eens helemaal naar Batenburg te fietsen. Of de plas rond te lopen als er niets zou gebeuren.
.
Op Facebook bekijk ik foto’s van haar. Ik zou haar niet hebben herkend als ik haar op straat was tegengekomen. Er gaapt een groot gat tussen De Groene Heuvels en nu. Ik kan me nu, in het bezit van een auto en een gezinsleven, ook moeilijk voorstellen dat ik een uur heen en een uur terug zou fietsen om iemand te bezoeken. Als ik met mijn dochter een rondje door de wijk fiets, ben ik de straat nog niet uit of ze roept vanuit haar zitje: ‘Duurt-ta-lang!’ Ik begrijp dat wel. Al zou het wel mooi zijn: een uur verlangen op de fiets en een uur nagenieten. Tenminste, als het goed is.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

 

 

Bioscoop

Het was een goed idee van mijn gehandicapte zus en dat vond ze zelf ook. ‘Ik ben slim hè!’ Haar meest gebruikte zin, maar dit keer had ze helemaal gelijk. We hadden de bioscoop voor ons alleen.
Terwijl de zon ondraaglijk hard op het dorp scheen en er op de boerderij gekuild werd – zwaarste klus van het jaar – konden wij in de zaal met airco zitten waar we maar wilden.
.
Al een half jaar geleden had ik mijn zus beloofd om een keer samen naar de film te gaan. Telkens kwam er iets tussen, maar dan herinnerde mijn zus me na een tijdje weer fijntjes aan mijn belofte.
.
Het was mijn eerste bezoek aan de bioscoop in Beuningen. Mijn zus pakte de menukaart, die op het tafeltje voor onze stoelen lag, en wees het eerste plaatje aan dat ze zag. Bitterballen, graag. En een cola-light.
Ik liep de zaal uit naar de kassa, maar dat was niet de bedoeling. Je moest bij je stoel op het knopje drukken en dan kwamen ze de bestelling opnemen, ook als er verder niemand in de bioscoop was.
‘Zijn we een servicebioscoop of niet?’ zei de medewerkster vrolijk.
.
Het licht werd gedimd. We zetten de 3D-bril op. Ondanks de jampotglazen van haar eigen bril paste deze er nog wel bij. Terwijl de eerste smurfen over het scherm huppelden, zocht ze naar de bitterballen. Ik hielp haar door de schaal voor haar neus te houden, maar het bleef lastig. Een bal werd pas bij de derde poging in de mosterd gedoopt.
.
De blauwe figuurtjes beleefden allerlei avonturen, maar mijn zus concentreerde zich vooral op één verhaallijn. Smurfin was de boosdoener, veel meer dan Gargamel, en zuslief maakte zich zorgen om Grote Smurf.
Toch kwam het allemaal goed.
.
Op de tandem fietsten we terug. Nog voor we op de boerderij waren, polste ze me voorzichtig voor een volgend uitje.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Verhaal op De Internet Gids

Voor De Internet Gids (de website van literair tijdschrift De Gids) onderzoeken 26 schrijvers wat het betekent om ergens bij te horen en alleen te zijn. Mijn aandeel aan het ‘Grote Groepsgevoel’ is een stuk proza over de ultieme schlemiel van de groep: de na-aper.

Een fragment:
Een paar dagen geleden fietste ik een tijdje achter vier puberjongens aan die op weg waren naar school. Ze reden twee aan twee en ik had de indruk dat dit hun vaste posities waren. Linksvoor fietste de leider. Hij had niet het hoogste, maar wel het laatste woord.

Het volledige verhaal lees je hier.

 

 

Notabele

Wanneer de bezetting goed is, dan krijgt het publiek iets moois te horen. Meestal zijn de kritieken na concerten lovend. Wij moeten er echter voor zorgdragen, dat het niveau zo blijft en mogelijk nog beter wordt. Want het is plezierig zulke positieve dingen over de club te kunnen schrijven.
.
Aldus Ab Bruisten, verenigingsman te Beuningen, in 2003 in het blaadje van fanfare Kunst en Volharding. Vorige week werd hij begraven. In de stukken die over hem verschenen, werd het nog eens opgesomd. Behalve voorzitter van de fanfare was hij actief bij de voetbalclub, de tennisvereniging, het Bevrijdingscomité en de kerk. Een architect, en daarmee een notabele. Een ouderwetse notabele, een uitstervend ras.
.
Ik heb Bruisten nooit echt gesproken en daardoor ook niet echt gekend. Toen ik hoorn speelde bij de fanfare hield ik afstand van het bestuur, net zoals ik op school afstand hield van mijn leraren. Ik zocht geen contact, omdat ik het idee had dat je iets van ze wilde als je contact zocht. Ook had ik niet zoveel met mensen die er boven staan, ik stond er liever tussenin. Ik was me nauwelijks bewust van hoeveel tijd en energie ze er in staken.
.
Toch had ik ook ontzag voor Bruisten. Een keer ving ik op dat hij elke zondag naar Buitenhof keek. Ik keek dat ook omdat ik journalistiek studeerde, maar ik begreep maar de helft van wat er in dat programma werd gezegd. Het vormde mijn beeld van hem.
.
De laatste tijd dacht ik nog weleens aan Bruisten. Ik hoopte dat hij mijn columns las en er iets van vond. Ik hoefde niet te weten of hij dat echt deed, de mogelijkheid was genoeg. Dat is de rol van de notabele. Hij staat er boven. Voor hem doe je je best.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Huwelijk

.
Mijn opa en oma trouwden op 20 mei 1941. Het feest was in Neerbosch op boerderij De Bloemberg, waar mijn oma was opgegroeid. Op het menu stond onder meer Julianasoep, Parijse aardappeltjes, kalfsoesters en vanille-ijs.
.
Op mijn oude slaapkamer ligt een doos vol papieren uit die tijd. Ik neem ’m door en vraag me af of het onvermijdelijk was dat ze elkaar in de oorlog het ja-woord gaven. Waarschijnlijk wel. Ze hadden grote plannen en daarvoor moest je getrouwd zijn. Ze wilden een boerenbedrijf starten aan de Wilhelminalaan in Beuningen en een groot katholiek gezin stichten.
.
De brieven aan het bruidspaar staan vol gelukwensen, de oorlog is bijzaak. ‘Die rare wereld’, zoals iemand het noemt, wordt liever onvermeld gelaten bij zo’n heuglijke gebeurtenis. Toch konden de briefschrijvers er niet omheen. Het gaat ook over voedselbonnen, evacuaties en bombardementen.
.
Piet van Schijndel schrijft het meest expliciet over de oorlog. ‘De groote Dictators van Europa, kunnen den vrede niet vinden, omdat ze elkaar niet verstaan en begrijpen willen. Gelukkig dat de schoone, fiere, Jonge Boer en Boerin de ware vrede nog moge vinden.’
En verderop: ‘Jammer dat de internationale toestand het niet toe laat, anders zou den Bloemberg vandaag verborgen liggen onder de vlaggen en wimpels. Maar ongetwijfeld weet ik dat dit Bruiloftsfeest thans, door u allen binnen met des te meer liefde en vreugde gevierd zal worden.’
.
Het huwelijk vindt plaats in de maand dat Joden niet langer welkom zijn in bioscopen. Het ergste moet dan nog komen. Lokaal: het neerstorten van een bommenwerper net buiten Beuningen en het Vergissingsbombardement. Internationaal: de Endlösung.
.
De enige foto van de bruiloft is een portret van mijn grootouders. Opa glimlacht naar de camera, oma kijkt enigszins gespannen naar iets achter de camera. Alsof ze wist dat de wereldgeschiedenis hen voorlopig niet met rust zou laten.
.
Deze column verschijnt in De Gelderlander.

Postfruit

.
Ze heeft haar ogen nog open, maar haar ademhaling is veranderd. Ik loop rondjes door de slaapkamer, omdat dat voor haar de beste manier is om in slaap te vallen. Die onmogelijke, gruwelijke slaap. Samen met de wind (‘hoetteniet de wind!’) haar grootste vijand.
.
Het is een flinke peuter die ik in mijn armen hou, ruim dertien kilo. Dat kolosale hoofd en die benen. Het valt me ineens op, nu haar zusje net geboren is. Het zal niet voor niets zijn dat we haar naam steeds uitspreken als we tegen haar zusje brabbelen. Ze is heel lief voor de baby en omdat ik moe ben moet ik bijna huilen om haar strijd tegen de slaap.
.
Toen ik vanavond begon met de rondjes wilde ik voor haar zingen, zoals ik altijd doe, maar dat mocht niet. Elke keer als ik begon, zei ze ‘nee, nee’ en legde ze haar hand op mijn mond. Dat had ze nog niet eerder gedaan. Misschien hoorde het bij het gevecht tegen het slapen, maar misschien was het een ander gevecht. Dat van het niet meer klein willen zijn.
.
‘Gaan slapen’. Die woorden mag ik niet gebruiken.
‘Naar bed’ ook niet.
‘Een dutje doen’ ook niet.
‘Even rusten’ evenmin.
Toch was er vanavond een vorm van acceptatie. Ik mocht van haar zeggen: ‘Even een slaapje doen en dan naar opa en oma’. Dat opa en oma morgen helemaal niet op de planning staan, zorgde voor een minihuilbui.
.
Eindelijk heeft ze haar ogen dicht. Aan de andere kant van de muur kermt haar kleine zusje, maar dat hoort ze niet. Haar ogen bewegen onder haar oogleden. Ik tel langzaam af van honderd naar nul. In de hoek van de kamer ligt Ik wil naar verder van Anne Provoost op de grond. Mijn blik wordt steeds naar dat boek getrokken.
‘Ze kan nog niet lopen,’ merkte ze vandaag op tegen de kraamvisite.

Als ik haar wegleg, wordt ze even wakker. Ik ga er vanuit dat ze meteen verder slaapt, maar ze kijkt op en lacht naar me. Ik zeg: ‘Nu echt gaan slapen’. Ze gaat liggen, de ogen open, maar het is snel gedaan.
In de verte zoeft de snelweg.
.

Alle stukken in de Fruit-serie staan hier onder elkaar.