Jungle

Foto: Ton Smits
.
Elke keer als mijn goede vriend Ton voor even terugkeert uit Thailand, vraag ik hem of er iets veranderd is aan Nederland en elke keer is zijn antwoord: nee. Hij ziet zijn neefjes en nichtjes uit Weurt razendsnel groot worden, maar verder valt hem eigenlijk niets op. Hij is er ook niet zo mee bezig. Ik wel. Al ging mijn aandacht tijdens zijn laatste bezoek niet zozeer uit naar de veranderingen in eigen land, als wel naar de verschillen tussen waar hij leeft en waar wij leven.
.
Ton heeft in Thailand een bloeiend bedrijf waarmee hij tours verzorgt in enkele Nationale Parken. Daarnaast is hij actief als natuurfotograaf.
Tijdens zijn verblijf in Nederland bracht hij een dag door op de Veluwezoom en maakte prachtfoto’s van slangen, reeën, eenden en libellen.
Hij heeft er duidelijk oog voor, maar toch is het contrast wel erg groot met Kaeng Krachan, het park waar hij dichtbij woont.
Ter vergelijking: de Veluwezoom omvat 50 vierkante kilometer, Kaeng Krachan bijna 3000. Daar kan hij, met een beetje geluk, foto’s maken van tijgers, luipaarden, olifanten, makaken en zwarte beren. En dat doet hij dan ook.
.
Halverwege zijn verblijf kwam Ton samen met zijn vrouw en zoontje bij me op visite en maakte kennis met mijn dochters. Na een klein uur brak er paniek uit. Mijn oudste dochter gilde en was helemaal verstijfd van schrik.
“Mier!” snikte ze.
Ton vroeg hoe groot de mier was en mijn dochter wees naar het piepkleine beestje op de vloer. Ton liet de mier op zijn vinger lopen en zette hem in de tuin. Bijna terloops vertelde hij dat zijn zoon in Thailand niet buiten op het gras kan spelen. Het gras is te droog en te hard. Bovendien zijn er daar bijtende slangen en mieren.
Mijn dochter hoorde het niet. Ze keek uit het raam, beducht voor de Hollandse jungle.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Tijd

“Ben ik daar een keer geweest?” vraagt ze als we over de Neerbosscheweg richting Beuningen rijden. Via de achteruitkijkspiegel zie ik waar ze naar kijkt. Tankstation ANAC.
Mijn oudste dochter is drie jaar en vier maanden, heeft ’s nachts last van groeipijn en begint langzaamaan vat te krijgen op haar geheugen.
“Ja,” zeg ik. “Bij de wasstraat.”
“Wasstraat, stroopwafel,” zegt ze.
Ze heeft het goed onthouden, want het is al even geleden. Ik dacht dat ze het leuk zou vinden, zo’n wasstraat, al die borstels en dat water rondom de auto, maar in de eerste tunnel ging ze tekeer. Toen we eruit waren, haalde ik haar uit haar zitje en gaf haar mee aan een medewerker. Ze kreeg een stroopwafel en mocht van buitenaf toekijken hoe ik met de auto de tweede tunnel in ging. Prima samenvatting dus: wasstraat, stroopwafel.
“Vroeger toen ik klein was ben ik daar geweest,” zegt ze tegen haar zusje van één, dat naast haar zit en niet reageert.
Met vroeger bedoelt ze driekwart jaar geleden. Dat is een hele tijd voor iemand van drie en een beetje. Als we foto’s kijken van toen ze een baby was, heeft ze het over ‘lang geleden’. Dat komt door mij, ik praat zo tegen haar. Zelf heb ik het ook over ‘vroeger’ als het gaat om iets van een paar jaar terug, en dan hoeft het niets met de kinderen van doen te hebben.
We steken het Maas-Waalkanaal over.
“Over een week komen we hier weer langs,” zeg ik.
Ze knikt, maar aan haar gezicht zie ik dat ze geen flauw benul heeft.
“Dat is zeven nachtjes slapen,” voeg ik er nog aan toe. Alsof rijden langs een tankstation iets is om naar uit te kijken.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Wilfred

Na negen seizoenen lang geen aflevering te hebben gemist, werd ik zondag eindelijk beloond: er dook familie op in Boer Zoekt Vrouw.
Tijdens de uitzending had ik niets in de gaten. Pas de volgende ochtend, toen mijn Facebooktijdlijn vol stond met berichten over Wilfred, begon ik iets te vermoeden. Mijn moeder kon het bevestigen. De boer uit Beneden-Leeuwen was familie. Of nou ja, een achterneef van zowel mijn vader als mijn moeder (aan mijn moeders kant aangetrouwd, dus niets aan de hand). Eigenlijk is hij dan geloof ik niks van mij, maar toch.
.
Tijdens de lunch op mijn werk kondigde ik met veel aplomb aan dat iemand uit mijn familie meedeed aan BZV. Een collega raadde meteen de juiste boer. Ze had tijdens de uitzending al gedacht dat hij weleens een bloedverwant van me kon zijn, vanwege de tongval en de melkrobot. Alsof ze alleen in mijn familie werken met melkrobots.
.
’s Avonds bekeek ik de aflevering nog eens en zocht naar gelijkenissen, als een vader bij zijn pasgeboren kind. Pas toen vielen zijn lichtblauwe ogen me op. Zulke ogen heb ik ook! Ik zocht verder. Wilfred vertelde aan Yvon dat hij ‘vaak in de put gestoken was’. Dat spreekwoord is bij ons thuis nooit gebruikt, het betekent blijkbaar ‘iemand begraven’.
In een andere scène wilde hij iets blauw verven, enkel omdat dat mooier stond dan wit. Ook dat past niet bij mijn familie. Dat hij twee keer zijn tegenslagen relativeerde, is wel weer herkenbaar. “Dat deed een beetje zeer, maar voor de rest gaat het wel goed.”
.
Zelf was ik ook niet zo snel in het vinden van de ware, maar ik heb haar uiteindelijk gevonden. Ik hoop van harte voor Wilfred dat dit een familietrekje is.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Foto: Linelle Deunk

Solo


Vanavond, iets voor achten, klinkt overal in het land vanuit het niets, vanuit een ongekende rust – slechts enkele vogeltjes laten misschien van zich horen – een eenzame trompet. Signaal Taptoe, het begin van de Dodenherdenking. In Beuningen zal een van mijn oud-collega’s van Kunst en Volharding het instrument aan de lippen moeten zetten.
.
Ik heb het geluk gehad, en met mij de fanfare en de rest van de aanwezigen, dat ik als hoornist dit stuk nooit hoefde te spelen. Alle solo’s die ik heb gespeeld, waren geen succes. Vaak kon ik de noten die op het papier stonden best blazen, maar als ik de enige was die speelde, de enige waar iedereen naar luisterde, dan lukte het niet meer.
.
Zo niet bij Twan Aalbers, oud-trompettist bij de Weurtse fanfare. Twee keer speelde hij het Signaal Taptoe. Geen moeilijk partij, vertelt hij. Het zijn natuurtonen, zonder uitschieters.
‘Maar de setting is lastig. Je speelt ’m koud in. Je moet die lange noten zuiver zien te houden.’
Hij oefende het uit ten treure en dan kwam het aan op stalen zenuwen.
.
Het eindigt normaal gesproken zo: na de laatste noot slaan de kerkklokken acht uur en volgt twee minuten stilte, vervolgens speelt de fanfare het Wilhelmus. Ik heb het eens anders meegemaakt. De trompettist was klaar, het was stil, maar na anderhalve minuut begonnen de klokken ineens te slaan. Toen moesten we nog eens twee minuten stil zijn. Voor de klokken dacht ik aan de slachtoffers van de Tweede en ook maar meteen de Eerste Wereldoorlog. Na de klokken dacht ik aan de slachtoffers in voormalig-Joegoslavië, Afghanistan en Irak, en aan mijn opa’s en oma’s. En aan de trompettist, bij wie de spanning in elke noot te horen was geweest. Maar hij had het wel gedaan.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Ruimte

Het voelde ongepast. Afgelopen zaterdag nam ik in een atelier in Beuningen meermalen en langdurig het woord, terwijl ik daar voor het eerst was en ik de eigenaar amper kende. Het was in het kader van het Lente-ommetje, een nieuw evenement. De schilder had me binnengelaten, ik had zijn hand geschud en zijn kunstwerken bekeken. Al snel arriveerde de eerste groep bezoekers. Ik las verhalen voor die zich veelal in Beuningen afspeelden.
.
Nadat de laatste groep was vertrokken, begon Piet Snellaars te praten. Hij woonde sinds 1980 in het dorp en was inmiddels gepensioneerd. Hij had als Hoofd Ruimte bij de gemeente gewerkt en het schilderen er altijd naast gedaan. Alle nieuwe wijken die vanaf 1980 zijn gebouwd, heeft hij ingericht.
.
Snellaars zat op een stoel tussen zijn vele schilderijen, waarvan vooral de portretten van zijn moeder mijn aandacht trokken. Hij vertelde onder meer dat huurwoningen eerst nog dicht op elkaar werden gebouwd, volgens het ‘Bruine Boekje’. Later werden deze wijken ruimtelijker opgezet, met brede straten. Met tevredenheid en trots keek hij terug op zijn werkende leven.
.
Ik moest denken aan mijn oom, die bij een waterschap werkte. Toen hij met pensioen ging, was hij behoorlijk verbitterd. Door nieuw beleid ging veel kennis, waaraan hij had bijgedragen, verloren. Hij maakte een boek met alle rapporten en artikelen over zijn werkgebied, om het zo toch te behouden voor de toekomst.
.
Wat een verschil met Snellaars. Terwijl ik mijn jas aantrok, stelde ik me voor hoe hij op zijn dooie gemak door zijn eigen werk fietste. Ik stopte mijn teksten in mijn tas. Verhalen waarbij hij, dat besefte ik nu pas, voor het decor had gezorgd.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Woodstock


.
Er dook een brief op van mijn broer uit Woodstock.
Niet het legendarische festival, maar een plattelandsstadje in Ontario, Canada. De brief dateert van 8 juni 1996. Mijn broer was 19, zat op de Middelbare Agrarische School en verliet die zomer Beuningen voor een stage van acht weken bij een melkveebedrijf.
.
Ik herinner me het nog goed. Ik was 14 en het maakte veel indruk dat mijn broer zo ver weg was en vooral zo lang. Nog nooit in mijn leven was iemand uit ons gezin zo lang weg geweest. Ik trok in die tijd niet veel met hem op, maar toen hij in Canada was miste ik hem enorm. Terwijl de weken voorbij gingen, werd mijn broer – toch al een gesloten jongen – een steeds groter mysterie. Ik weet nog dat ik nerveus was op de dag dat hij terugkwam.
.
De brief beslaat maar liefst vier kantjes. Het is een vreemde ervaring om zoveel woorden van mijn zwijgzame broer achter elkaar te lezen. Het is ook nog eens op een zeer enthousiaste manier geschreven, overdreven bijna, iets wat ik niet van hem herken.
‘De eerste foto’s zijn klaar en zijn schitterend gelukt,’ schrijft hij.
En verderop: ‘De tijd gaat zo snel, ik ben nu al vier weken hier, ik kan het haast niet geloven.’
Eindigend met: ‘Doe iedereen de groeten en zeg maar dat het met mij hartstikke goed gaat.’
.
Vlak voor het einde zit de interessantste passage. Dan spreekt hij ieder van ons gezin persoonlijk aan.
‘Marieke, niet meer op mijn kamer zitten zoeken naar brieven.’
‘Susan, ik ben voor je verjaardag weer terug.’
En wat schrijft hij mij?
‘Mama en Willem, goed trainen voor de Vierdaagse.’
Het stelt me teleur. Zelfs nu nog, na 22 jaar, had ik gehoopt op iets anders, op iets meer.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Industrieplein

.
In bus 85 op weg van Nijmegen naar Druten erger ik me dood aan de vier luidruchtige meisjes aan de andere kant van het gangpad. Ze zijn een jaar of 16 en hebben het over kutwijven en mafketels, over dronken en stoned worden en over hoe je je haar moet blonderen. Ze blijven maar praten.
.
De chauffeur wil het Industrieplein oversteken, maar halverwege stopt hij. De bus kan niet verder, de rijbaan is afgezet. De chauffeur moppert op de wegenbouwers die her en der op het kruispunt staan en dat is volkomen terecht. Het is door de werkzaamheden al weken een rommeltje op het kruispunt. Het staat slecht aangegeven waar je wel en niet heen kunt. In mijn auto heb ik vaak zitten vloeken als ik weer om moest draaien of noodgedwongen een verkeerde richting op ging.
.
De chauffeur kijkt in zijn spiegels, rijdt achteruit en staat weer stil. Aan de zijkant van de bus wordt woest getoeterd. “Hé, kalm aan zeg!” roept een van de meisjes naar de auto. Ik heb ook weleens zo achter het stuur gezeten, bonkend op de claxon omdat een vrachtwagen om onbegrijpelijke redenen minutenlang de weg versperde.
.
De chauffeur stapt uit en loopt naar de achterkant van de bus om te vragen of de auto’s daar iets achteruit kunnen. Hij stapt weer in, rijdt achteruit, pakt de goede rijbaan en moet dan wachten tot het weer groen is. Aan de man die vooraan zit vertelt hij dat hij deze dienst eigenlijk nooit heeft en dat hij geen informatie over de wegwerkzaamheden heeft gekregen. Hij geeft flink af op zijn meerdere.
.
Zo staan we daar nog even te koken op het Industrieplein. Ergernis en onbegrip van alle kanten. Een van de meisjes kijkt me vuil aan.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

 

Populair

Over kappers. Ik vind het een heftig gegeven dat je bij het maken van een afspraak kunt aangeven door wie je je wilt laten knippen. Zo wordt een kapper/kapster die niet zo populair is daar elke dag mee geconfronteerd. Vanochtend heb ik het toch maar gedaan.
‘Nou, door jou,’ zei ik tegen de kapster aan de andere kant van de lijn.
Ik voelde me smerig. Het klonk ook smerig.
Toen ik vanmiddag in de zaak kwam, was mijn kapster nog bezig. Ze vroeg of ik alvast in de stoel wilde gaan zitten. De kapster die ik de vorige keer had en waar ik niet zo tevreden over was, stond bij de kassa en had niets te doen. Ik had niet goed opgelet welke stoel mijn kapster bedoelde en vroeg het aan mijn vorige kapster. Het was die bij het raam.
Toen zaten we allebei een tijdje te wachten. Gelukkig kon ik haar net niet zien in de spiegel.

Partij


Ik haalde mijn kinderen op in Beuningen. Bij de koffie vroeg ik aan mijn moeder of ze al wist wat ze ging stemmen.
‘Dat duurt nog even.’
‘Maar weet je het al?’
‘Wat denk je?’
‘Ik denk dat je het wel weet, toch?’
‘Misschien.’
Ze begon over het kersverse achterneefje, de honden die weggelopen waren en de diplomauitreiking van mijn zus. Bij ons thuis praten ze niet snel over politiek. Terwijl ze wel altijd op dezelfde partij stemmen.
Althans, dat vermoed ik.
Mijn gedachten dwaalden af naar Jo Janssen. Op feestjes bazuin ik graag rond dat ik op de lijsttrekker van Gewoon Nijmegen stem en dan hoop ik dat ze vragen waarom.
‘Anders kun je net zo goed meteen je portemonnee in de Waal gooien,’ is mijn antwoord. Een citaat van de volkspoliticus, uitgesproken op zijn manier: met een vet aangezet Nijmeegs accent.
Mijn vader liep over het erf met twee emmers melk voor de kalfjes. Ik vroeg of hij al wist welke partij het ging worden. Hij knikte. Meer kreeg ik er niet uit.
Zelf weet ik nog niet wat ik ga stemmen. Ik ben niet van plan het aan de grote klok te hangen, dat heb ik blijkbaar van thuis meegekregen.
Een dag later reed ik opnieuw vanuit de stad naar mijn ouders. In de wei stond een niet te missen bord van de enige lokale partij van Beuningen.
‘Mooi bord,’ zei ik tegen mijn moeder.
‘Welk bord?’

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Wagen


Hij stond altijd naast onze melkstal. Mijn vader had een afdakje gemaakt waar de kleine, platte kar precies onder paste. Twee keer per jaar werd hij daar onderuit getrokken. In de zomer om te hooien en in het najaar om naar een schuur te worden verplaatst. In die schuur – met een kacheltje, radio en krat bier om hem heen – werd hij aangekleed. Een pop van papier-maché bovenop, borden met tekst aan de zijkant. Op een zaterdag in februari werd de wagen voorzichtig naar buiten gereden. Een tractor trok hem dat weekend twee, soms drie dorpen door. Een week later werd alles gesloopt en kwam hij weer kaal onder het afdak te staan.
.
Eerst gebruikte mijn broer hem. Maar de groep van mijn broer groeide en wilde na een paar jaar een grotere wagen. Wij mochten hem gaan gebruiken. We waren beginnelingen, maar het lukte ons toch een keer de groep van mijn broer voorbij te streven in het klassement. Toen we later verder gingen als loopgroep, gebruikte mijn broer de kleine kar nog twee keer. Enkele jaren geleden zijn onze overbuurjongens een tijdje met hem aan de slag gegaan.
.
Hij heeft veel meegemaakt. Vreugde en teleurstelling over uitslagen, ruzies binnen een groep, overdreven dronken blijdschap, geflirt en geflikflooi – allemaal bij hem in de buurt. Maar hij heeft veel meer meegemaakt, want hij is oud, waarschijnlijk van net na de oorlog. Er liep toen nog een paard voor. Ze haalden meel met hem bij de Boerenbond. Later hebben ze hem wat aangepast zodat er een tractor voor kon. Nu staat hij achter de loods van de overburen. Drie banden zijn lek, de bodem stelt niet veel meer voor. In de verte is muziek te horen. Meer krijgt hij er niet van mee.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.