Postfruit

.
Ze heeft haar ogen nog open, maar haar ademhaling is veranderd. Ik loop rondjes door de slaapkamer, omdat dat voor haar de beste manier is om in slaap te vallen. Die onmogelijke, gruwelijke slaap. Samen met de wind (‘hoetteniet de wind!’) haar grootste vijand.
.
Het is een flinke peuter die ik in mijn armen hou, ruim dertien kilo. Dat kolosale hoofd en die benen. Het valt me ineens op, nu haar zusje net geboren is. Het zal niet voor niets zijn dat we haar naam steeds uitspreken als we tegen haar zusje brabbelen. Ze is heel lief voor de baby en omdat ik moe ben moet ik bijna huilen om haar strijd tegen de slaap.
.
Toen ik vanavond begon met de rondjes wilde ik voor haar zingen, zoals ik altijd doe, maar dat mocht niet. Elke keer als ik begon, zei ze ‘nee, nee’ en legde ze haar hand op mijn mond. Dat had ze nog niet eerder gedaan. Misschien hoorde het bij het gevecht tegen het slapen, maar misschien was het een ander gevecht. Dat van het niet meer klein willen zijn.
.
‘Gaan slapen’. Die woorden mag ik niet gebruiken.
‘Naar bed’ ook niet.
‘Een dutje doen’ ook niet.
‘Even rusten’ evenmin.
Toch was er vanavond een vorm van acceptatie. Ik mocht van haar zeggen: ‘Even een slaapje doen en dan naar opa en oma’. Dat opa en oma morgen helemaal niet op de planning staan, zorgde voor een minihuilbui.
.
Eindelijk heeft ze haar ogen dicht. Aan de andere kant van de muur kermt haar kleine zusje, maar dat hoort ze niet. Haar ogen bewegen onder haar oogleden. Ik tel langzaam af van honderd naar nul. In de hoek van de kamer ligt Ik wil naar verder van Anne Provoost op de grond. Mijn blik wordt steeds naar dat boek getrokken.
‘Ze kan nog niet lopen,’ merkte ze vandaag op tegen de kraamvisite.

Als ik haar wegleg, wordt ze even wakker. Ik ga er vanuit dat ze meteen verder slaapt, maar ze kijkt op en lacht naar me. Ik zeg: ‘Nu echt gaan slapen’. Ze gaat liggen, de ogen open, maar het is snel gedaan.
In de verte zoeft de snelweg.
.

Alle stukken in de Fruit-serie staan hier onder elkaar.

 

Vingerafdruk

.
Bij de kinderopvang van mijn dochter werken ze met vingerafdrukken. Als ik haar wegbreng of ophaal moet ik bij de ingang mijn rechterwijsvinger op een klein kastje leggen en dan zegt de poort ‘klik’. Op dagen dat ze niet verwacht wordt, als ik bijvoorbeeld haar vergeten laarsjes op moet halen, is er geen klik. Dan moet ik aanbellen.
De opvang bevindt zich niet in de grote boze stad, niet in een buurt met een slechte naam, niet in een anonieme nieuwbouwwijk, maar in een pittoresk dorpje hier in de omgeving. .
.

The times they are a-changin’. Onlangs kwam ik mijn vroegere leider van de Beuningse Boys tegen. Hij vertelde dat hij videobanden van vijfentwintig jaar geleden aan het overzetten was naar dvd. Er zaten ook beelden bij van wedstrijden en hij ontdekte dat hij in de kleedkamer had gefilmd. ‘Dat kon toen nog,’ zei hij.
.
Op een feestje begin ik tegen een goede vriendin, moeder van drie kinderen, over het systeem met de vingerafdrukken. Ik vraag of het bij haar opvang in de stad ook zo wordt gedaan. ‘Nee, daar loop je zo binnen.’ Ze vindt die vingerafdrukken juist een onveilig idee. Tenminste, dat is haar eerste reactie. Ze vertelt dan over de bouwvakkers die in de buurt van haar opvang aan het werk waren. Bij de ingang hadden ze foto’s van hen opgehangen. ‘Ik begreep niet meteen waarom dat was, maar ik was daar toch wel blij mee.’
.
Ik denk aan mijn leider van vroeger, iemand die nooit iets kwaads heeft gedaan, daar durf ik mijn beide handen, en ook mijn beide voetbalvoeten, voor in het vuur te steken. Angst heeft vat op ons, en misschien is dat terecht. Maar het komt uiteindelijk toch vooral neer op iets wat van alle tijden is: de goeden lijden onder de kwaden.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Niet weten

1.
Een kruiwagen en een ladder bungelen elke avond aan een kraan voor het huis. Ik heb op Google opgezocht wat het betekent, waarom de bouwvakkers dat doen, maar ik kan er niets over vinden.
Het is ook wel mooi om het niet te weten, om het een mysterie te laten zijn. Behalve als er uiteindelijk een eenvoudige, praktische reden achter schuilgaat. Dan is het vooral knullige onwetendheid.
.
2.
P. is boos op de wind.
‘Hoetteniet wind!’ roept ze vanuit haar zitje, voor op de fiets.
Ze schudt met haar hoofd, veegt de haren uit haar gezicht. De elementen, ze heeft het er niet zo op.
Ik grinnik, omdat ze niet weet wat haar te wachten staat. Ze zeult de hele dag met een babypop, maar ze heeft geen idee.
Voorlopig maakt ze zich druk om de wind.
.
3.
Vier weken geleden stond bij mijn ouders een ooievaar in de wei. Ik kreeg een foto onder ogen met de vraag hoe het met de buik van S. stond. Als het kind op die dag of in die dagen erna was geboren, was er meer tussen hemel en aarde geweest.
Inmiddels is de ooievaar al lang vergeten. Hij komt op plekken waar niemand in verwachting is, waar niemand hem opmerkt.

4.
In de nieuwbouwwijk staan de koop- en huurhuizen door elkaar. Ik probeer te raden welke koop en welke huur zijn. Ook probeer ik te raden welke mensen die hier rondlopen kopers en huurders zijn. Ik geef ze een stempel nog voor ik ze heb gesproken.
.
5.
Met een peuterfiets en een peuterrugzak in mijn handen loop ik door de stad, zonder kind in de buurt.
Er wordt naar me gekeken.
Ik weet zeker dat er naar me wordt gekeken.

6.
Op het terras schuiven de luidruchtige dames met hun doorrookte stemmen van schrik naar het puntje van de stoel.
39 weken? brengen ze tegelijkertijd uit.
Ze kijken naar de buik van S.
Dan wordt het een jongen, zegt de een.
Ja, dan wordt het zeker een jongen, zegt de ander.
Kom hier over een maand terug, dan weten we of we gelijk hebben, zegt de een.

Park


.
Een vriend vertelde me pas dat hij elke keer als hij een Anta Flu in zijn mond stopt, moet denken aan mijn eerste boek. Het is nu precies vijf jaar geleden dat Park uitkwam. In het eerste hoofdstuk schrijf ik over Anta Flu’s: ‘Mijn moeder vond dat snoepjes. Ik vond het meer iets voor als je last hebt van je keel.’
.
Park is onomwonden autobiografisch. De hoofdpersoon heet Willem en de eerste zin luidt: ‘Mijn moeder bracht me naar Beuningen.’ Het boek gaat over het jaar dat mijn leven stilstond en ik in mijn eentje in een chaletpark woonde. Een bijzonder aspect van een autobiografisch verhaal is, en dat drong pas later tot me door, dat het nooit af is.
.
Neem de omgeving waarin het boek zich afspeelt. Om van mijn werk bij het park te komen, moest ik met mijn fiets dwars door een nieuwbouwwijk. Ik vond die wijk maar niets. In het boek probeer ik dat subtiel weer te geven: ‘Om de paar huizen stond er een ooievaar in de tuin. Op het fietspad moest je uitkijken voor kinderen op stepjes en driewielers.’
.
Er is een paar jaar overheen gegaan en mijn leven is in een stroomversnelling gekomen. Ik ben drie keer verhuisd, vader geworden, getrouwd en mag binnenkort een tweede kind in slaap gaan wiegen. Sinds enkele maanden woon ik op steenworp afstand van het park, in een nieuwbouwwijk die net is aangelegd en die naast de wijk ligt waar ik over schreef.
.
Ik kijk nu anders tegen veel dingen aan en daarmee is het boek een tijdsdocument geworden. Dat blijkt alleen al uit deze passage over mijn broer en zijn dochter: ‘Hij zong een kinderliedje. Hij deed het zonder aarzelen, met een iets te hoge stem. Het was heel vreemd om mijn broer zo bezig te zien.’
.
Park is hier te verkrijgen.

Taart


.
Ik was op de verjaardag van mijn vader en at taart toen mijn vader vroeg of ik het nieuws al had gehoord. Het azc komt er niet. Hij wist dit omdat hij eerder die dag de taart had opgehaald bij de bakker in Ewijk. De klant die voor hem was, kocht ook een taart en vertelde erbij dat er wat te vieren viel, want er was een brief gekomen over het azc. Hij ging ook champagne halen.
.
Ik luisterde naar het verhaal en keek naar het gebaksvorkje dat ik voor mijn mond hield. Het was ineens alsof het een stuk van die andere taart was, alsof ik met die persoon aan tafel zat. Ik legde het vorkje terug op mijn bord.
.
Eenmaal thuis zette ik muziek op van de Zeeuwse zanger Broeder Dieleman. In een lied dat hij schreef voor zijn twee dochters zingt hij zacht en rustig “fuck de haters”. De context is anders, maar het greep me aan. Ik probeerde niet boos te zijn op die taartkoper, ik probeerde hem te begrijpen, maar het was moeilijk.
.
Mijn gedachten gingen naar Barcelona. Twee weken geleden gingen daar 160.000 mensen (!) de straat op om te pleiten voor het binnenhalen van meer vluchtelingen. Reden: Spanje had in 2015 beloofd zestienduizend vluchtelingen op te nemen, maar tot nu toe zijn pas duizend mensen toegelaten. Ondertussen zit Lesbos vol en proberen vluchtelingen nog altijd de Middellandse Zee over te steken. Of er in Ewijk geen azc meer nodig is? Het is maar waar je een muur bouwt.
.
Goed, je kunt opgelucht zijn met het nieuws. Maar taart? Ik luisterde naar het prachtige dialect van Broeder Dieleman en ik wou dat die taartkoper het kon horen:

Draag je n eigen
licht deu de dag
tot a je savonds
slapen mag
en oort dan wakker
mee de vraag
wa vieren we
vandaag
.
en fuck de haters

.

.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Machthebber

.
Het blijft een apart gezicht: volwassenen met een cape om en een pauwenveer op hun hoofd die onder hoempamuziek een zaal binnenkomen. Ik hou van carnaval, ben ermee opgegroeid, maar inmiddels ken ik meer mensen die niets met het feest hebben dan die dat wel hebben. En ik begrijp ze. Een beetje.
.
Dit jaar bestaat het Beuningse prinsengezelschap uit vier bekenden, dat is me nooit eerder overkomen. Met prins Paul ging ik ooit eens op vakantie naar Duitsland, adjudant Heino is mijn neef en tevens degene die me tijdens carnaval de grote zaal binnenloodste terwijl ik daar eigenlijk nog te jong voor was, met page Marlien bouwde ik jarenlang carnavalswagens en met page Sandra heb ik veel geproost op carnaval.
.
Op Facebook zag ik foto’s voorbij komen van de prinsonthulling en ik moest daar ineens aan wennen. Volwassenen in kostuums, ze leken het zo ontzettend belangrijk te vinden. Er volgden meer en meer foto’s, en toen viel bij mij eindelijk het kwartje. Carnaval is een spel en een spel moet je serieus spelen, anders kun je het beter laten. Dat is wat ze doen: ze nemen het spel serieus, maar zichzelf niet al te. De ideale combinatie.
.
Carnaval is zo’n mooi spel omdat het een narrenfeest is. Drie dagen lang wordt het publieke leven flink op de hak genomen, met eigen regels, eigen rituelen, eigen muziek en eigen machthebbers. Prins Paul 2 is niet democratisch gekozen en voerde campagne nadat hij al was gekroond. Het is de wereld op z’n kop. De afgelopen tijd bezocht hij vrijwel elke groep in Beuningen die een carnavalswagen bouwt. Hij dronk een biertje en maakte een praatje. Een machthebber die er is voor zijn volk, simpelweg door er ook echt te zijn, dat zie je niet altijd. Zelfs niet in verkiezingstijd.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

IJstijd


Op de boerderij van mijn ouders vond ik een emmer vol met ijs. Ik drukte er mijn vinger op, schopte tegen de zijkant en ging er op staan. Zeker een kwartier lang was ik, gebiologeerd als een kind, in de weer met het bevroren water.
.
We zijn pas net over de helft, maar we kunnen nu al spreken van een echte winter. Eindelijk weer sneeuw en ijs, en dat meer dan een week lang. En nu zitten we weer in een kleine koude golf.
Maar wat is een echte winter? In kinderboeken over de vier seizoenen verbeelden ze de winter steevast met sneeuw en ijs. Dat is wel een heel kort seizoen dan, want hoe zit het met al die andere, warmere dagen tussen december en maart?
.
In de jaren negentig was de winter nog andere koek (en zopie). Althans, in mijn gekleurde herinnering. Wekenlang lag er ijs op de sloten en in de uiterwaarden, en dat betekende: wekenlang ijshockey.
Verder terug, in de jaren vijftig, bestond het woord ‘natuurijs’ nog niet, alles was natuurijs. In het onlangs verschenen boek De Nije Weg, over het leven tussen 1930 en 1960 in de gemeente Beuningen, lees ik dat Beuningen, Ewijk en Weurt ieder hun eigen ijsvereniging hadden. Lidmaatschap kostte 1 of 1,50 gulden per jaar. De vereniging hield wedstrijden in schoonrijden en hardrijden. Langs de ijsbaan klonk muziek, werd eten verkocht en ’s avonds was de baan verlicht. Als het begon te dooien, kon je altijd nog even ijshockeyen.
.
Stilzwijgend is er een enorme verandering aan de gang. Wie herinnert zich nog het nieuws uit november, dat de temperatuur op de Noordpool 20 graden hoger ligt dan normaal?
Vorige week kwam het klimaatvraagstuk bij me op bezoek. In de gootsteen vond ik een wesp die doodleuk richting het aanrecht kroop.
.


Deze column verscheen in De Gelderlander.
Afbeeldingen zijn afkomstig van de website Oudbeuningen.nl.
.

Begrafenis van mijn personages

Met schrijfster en radiomaker Lisa Weeda reisde ik af naar Deest voor de begrafenis van mijn personages. Enkele maanden terug besloot ik namelijk het verhaal dat een boek had moeten worden (en waar ik vier jaar aan gewerkt had) weg te gooien. Zie mijn column Mislukt.
In de nieuwste aflevering van Ondercast, de maandelijkse literaire podcast, is te horen hoe we Mannes en Margreet ter aarde bestellen (en hoe we zoeken naar Frits de pony). De aflevering beluister je hier.
(Mocht je zeer ongeduldig zijn: het item is te vinden op ongeveer 01.00. Maar dan mis je wel de mooie bijdragen van Hanneke Hendrix, Rik Sprenkels, Jasper Henderson en Corinne Heyrman.)
.
PS 1: Hier boven poseer ik voor een grafstenenwinkel van Deest. Een winkel die te werkelijk is om in fictie te stoppen.
PS 2: ‘Begrafenis van mijn personages’, de titel van dit bericht, is een knipoog naar de meesterlijke bundel van Anneke Claus. Dat moet wel even gezegd worden.
.

Hond


Een jonge asielzoeker eet samen met een Chinees meisje. Het meisje heeft gekookt. Als de borden leeg zijn, komt het gesprek op cultuurverschillen. Het meisje vertelt dat ze weleens hond heeft gegeten. De asielzoeker kijkt haar met grote ogen aan. Hij denkt aan die paar keer dat hij haar heeft gezoend.
“Echt?” vraagt hij.
Het meisje lacht.
“Ja, echt.”
De asielzoeker excuseert zich en op het toilet komt al het eten dat het meisje heeft gekookt weer naar buiten. Later schrijft hij haar een brief, waarin hij een einde maakt aan hun prille relatie. In de brief somt hij op waarom het niet werkt tussen hun twee, maar de echte reden zet hij niet op papier.
De asielzoeker rookt een sigaret als hij mij dit verhaal ’s avonds op straat vertelt. Ik vind het ergens iets weghebben van een mop: ‘Zit een asielzoeker met een Chinees meisje te eten, zegt het meisje…’ Een asielzoeker in een mop, het is weer eens wat anders.
Toch komen we op dat ene, onvermijdelijke onderwerp: de vluchtelingencrisis. De asielzoeker zegt dat hij begrip kan opbrengen voor de protesten. In zijn eigen land gaan ze ook de straat op als er grote aantallen vluchtelingen uit een buurland worden binnengelaten. Maar als ik naar zijn toekomst vraag, naar zijn dromen, glimlacht hij alleen een beetje en kijkt naar de grond.
Deze jongen komt niet in het nieuwe azc in Ewijk te wonen. Hij is uitgeprocedeerd. Oftewel: uit de procedure gehaald, uit het systeem, als een defect product in een fabriek. Ik ben hem zomaar tegen het lijf gelopen. Ik weet niet waar hij verblijft, maar hij is hier, tussen ons.
Hij drukt zijn sigaret uit, zet de kraag van zijn jas omhoog en verdwijnt in de nacht, als de hond in de keel van het meisje.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.