Hier loopt er een eentje, een vader

Iedereen schijnt naast een kalenderleeftijd ook een gevoelsleeftijd te hebben. Die van mij schat ik op 15 jaar. Zeker weten doe ik het niet en dat past dan weer bij die leeftijd. Ik voel me een Beunings jochie van 15 dat dagelijks over de Van Heemstraweg fietst, dat twijfelt over alles en de wereld nog moet ontdekken. 

Het is in dit opzicht niet vreemd dat ik me soms niet echt een vader voel. Ik heb een heel ander beeld van hoe een vader is. Als ik richting school loop om mijn kinderen op te halen, moet ik af en toe tegen mezelf zeggen: hier loopt er eentje, een vader.

Ik verbaas me ook weleens over de impact die mijn woorden hebben op mijn dochters. Ik schat die steevast lager in. Mijn jongste dochter (4) ligt ’s nachts weleens te gillen. Als ik ga kijken, schreeuwt ze: “Ga weg!”. Blijkt later dat ze over mij heeft gedroomd, omdat ik overdag een keer tegen haar ben uitgevallen.

Als mijn kinderen me heel hard knuffelen en behoefte hebben aan aandacht, zie ik dat ook niet altijd aankomen. Ik moet vaker stilstaan bij mijn rol en dat hoe ik me gedraag en wat ik zeg gewicht heeft. 

“Soms voel ik me niet een vader”, zei ik pas tegen mijn buurman die drie jonge kinderen heeft. “Och, wil je erover praten?”, grapte hij. Maar zelf heeft hij zijn kinderen aangeleerd dat ze hem aanspreken met zijn voornaam.

Ondanks de impact die ik op haar heb, lijkt mijn oudste dochter (6) soms wel ouder dan ik. Ze heeft net haar eerste voortand gewisseld, eindelijk, maar haar gevoelsleeftijd schat ik op 16, misschien 17. Haar lichaamstaal is behoorlijk puberproof. Ze zegt nog net geen ‘duhuh’ of ‘tssss’, maar ze rolt al aardig met haar ogen. En sinds kort heeft ze de stijlvorm ironie ontdekt.
“Vond je het eten lekker?”, vroeg ik gisteren.
“Ja hoor, hééél lekker”.   

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Rijbewijs

Maandag reed een lesauto langzaam achteruit de parkeerplaats af toen ik aan kwam fietsen. Ik stapte af en wachtte even. Zo kon ik letterlijk stilstaan bij het feit dat ik deze week twintig jaar in het bezit ben van een rijbewijs. 

Menigeen die deze mijlpaal bereikt zal er zijn schouders voor ophalen. Maar als je drie keer voor een examen en een tussentijdse toets bent gezakt, en meer dan honderd lessen hebt gehad, is dat toch een ander verhaal.

Twintig jaar het gaspedaal indrukken heeft me naar hoogte- en dieptepunten geleid. Een dieptepunt: die keer dat ik ’s avonds de auto van mijn ouders leende en in het donker naar de Wingerdstraat reed, zonder lichten aan, want ik kon de juiste knop niet vinden. Het is maar een klein stukje, hield ik mezelf voor, terwijl tegenliggers claxonneerden en lichtsignalen gaven. 

Ander dieptepunt: met mijn oudste (toen 3) naar de carwash. Ik had zo mijn twijfels, maar ze wilde heel graag mee. Eenmaal in de wasstraat van de Anac klemde ze zich aan me vast en brulde ze dat ze eruit wou.

Een hoogtepunt: dat ik in één soepele beweging een busje strak langs een gracht in Amsterdam parkeerde. Mijn reisgenoten waren diep onder de indruk en brengen het soms weer ter sprake. Terwijl ik toch echt maar wat deed.

Ander hoogtepunt: de aanschaf van mijn eerste auto, zes jaar geleden. Er bestaat een foto waarop ik trots voor mijn auto sta met mijn dochter onder mijn arm. Een vriendin reageerde: “Het lijkt wel alsof je de baby erbij krijgt.”

De lesauto die de parkeerplaats afreed, kwam ik een half uur later nog een keer tegen. Heel langzaam ging de leerling door een bocht. Precies zo ben ik de vierde keer geslaagd. Ik reed zo traag dat niets me kon ontgaan. Niet de beste aanpak, maar ik heb er al twee decennia profijt van.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Duofiets

Op een elektrische duofiets zoefden mijn oudste zus en ik dwars door Druten. Het was een heerlijke ochtend met veel zon en een beetje wind. Ik zocht naar een manier om het tempo te vertragen, maar mijn zus vond het heel normaal dat we zo hard gingen.

Bij aankomst had mijn zus zich van haar subtielste kant laten zien. Ze zei dat ze het helemaal niet erg vond dat ik de kinderen niet had meegenomen. Alle aandacht was voor haar en daar maakte ze gretig gebruik van. Ze vertelde uitgebreid over het uitje naar de Efteling en de wespensteek in haar voet.
 
Op de duofiets merkte ik dat ze niet wist wat rechts en links was. Ik twijfelde even of ik dat wel aan een 46-jarige uit moest leggen, maar ik deed het toch. Het ezelsbruggetje met de hand in de vorm van een L leek ze te begrijpen. Toen we vanaf de dijk de Heersweg in sloegen, zei ze zonder van haar hand een L te maken dat we linksaf gingen. Wist ze het of had ze goed gegokt?  Iets verderop haalde mijn zus haar handen van het nepstuur en keek op haar horloge. We kwamen langs het hertenpark en ze stelde voor om even af te stappen. “En dan kunnen we zo nog even naar de Jumbo”.

Ik had haar door: ze was tijd aan het rekken. Haar begeleider had aangegeven dat ze niet om lunchtijd thuis hoefde te zijn. Ze mocht zonder haar huisgenoten eten. Mijn zus wist dat ik niet aan zou schuiven, dus het was iets anders waarom ze de lunchtijd koste wat het kost wilde missen. “Heb je geen zin om met ze te eten?”. “Jawel hoor”. Maar ondertussen deed ze er alles aan om later thuis te komen. 

In de Jumbo, de rit was bijna ten einde, zochten we naar een zalfje dat ze daar helemaal niet verkochten. Mijn zus blijft een mysterie. Tussen de schappen sprak ik haar per ongeluk aan met de naam van mijn jongste dochter. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.


Pink

Van het ene op het andere moment stond het bovenste kootje van mijn linkerpink scheef. Ik speelde beachvolleybal in de oude Honigfabriek en had zojuist de bal op mijn pink gekregen. Ik spande de vinger aan, maar het topje bleef stug schuin naar voren wijzen. Alsof er bij het dak iets te zien was wat ik echt niet mocht missen. 

Ik schrok niet van dat kootje. Ik had ook niet meteen door dat er iets mis was. Mijn vingers zijn al jaren nogal eigenaardig. Als ik mijn hand strek, krijgt mijn ringvinger automatisch een buikje. Het is een trucje dat het goed doet op feesten en partijen. Kijk, zeg ik dan, deze is zwanger. Ik kan met mijn ringvinger ook heel makkelijk een ‘z’ maken, door er met mijn andere hand een beetje op te duwen. Als ik dat laat zien, lopen mensen vaak gillend weg. 
 
Ik weet niet of het erfelijk is, maar mijn oma uit Beuningen had ook lange, eigenaardige vingers van elastiek. Ook bij haar raakte er soms zomaar eentje zwanger. Verder kon ze haar duim als het ware loskoppelen van haar hand en laten ronddraaien. Als we haar bezochten aan de Wilhelminalaan, veranderde ze soms in een artiest. Ze was een goochelaar die geen hoed en konijn nodig had. 

Het incident met de bal vond plaats tijdens mijn tweede les. Ik had me al jaren voorgenomen weer iets aan teamsport te gaan doen en het al evenveel jaren uitgesteld. Nou, dat waren twee mooie lessen. Nu zit ik zes weken met een spalkje, want zonder spalkje zal het vingertopje voor altijd schuin naar voren wijzen. 

Wel een mooi woord: spalkje. 

In de tussentijd vermaak ik me met woorden en woordgrapjes. Aan mijn teamgenoten appte ik dat ik geen pijn heb, dus dat ik geen traantje hoef weg te pinken. En dat ik snel weer bij de pinken ben, als ze voor me duimen. Ja, lekker bijdehand.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kermis

Ik ben nooit op de Wijchense kermis geweest, maar zonder de Wijchense kermis was ik er niet geweest. 

In 1971, op de derde zondag van september, bevonden mijn moeder (23) en vader (21) zich in de grote tent aan de Kasteellaan. Mijn moeder in een jurk, met nylonpanty’s en hoge hakken aan. Mijn vader in pak, zonder stropdas. Mijn moeder dronk Sneeuwwitjes (pils en 7-up gemixt). Mijn vader pilsjes en soms een Sneeuwwitje tussendoor. 

Ze kenden elkaar al van de Katholieke Plattelands Jongeren, een club die onder meer sportdagen en droppings organiseerde. Mijn vader was zelfs al eens bij mijn moeder thuis in Neerbosch geweest, toen hij daar als bestuurslid een vergadering bijwoonde. Toch was de Wijchense kermis hard nodig. 

Om acht uur ging de tent open. De meiden dansten, de jongens zaten op een bankje langs de kant en dronken zich moed in. Zo ook mijn vader. Rond half 10 stapte hij op haar af en vroeg of ze met hem wilde dansen. Daar gingen ze. Die avond walsten ze twee keer met elkaar. Om elf uur was het afgelopen en vroeg hij of hij haar op de Zündapp naar huis mocht brengen. 
 
Er werd nog niet gezoend, maar het was wel aan. In de periode die volgde belden ze veel en dansten in het weekend bij Verploegen. Doordeweeks fietste mijn moeder uit het werk met een omweg naar huis. Bij de Pieckelaan stopte ze om met mijn vader te kletsen, die daar in de wei de koeien molk. Alleen even kletsen, want mijn vader moest op tijd thuis zijn voor de melkwagen kwam. In november kwam mijn moeder voor het eerst bij mijn vader in Beuningen over de vloer. Twee jaar later trouwden ze. 
 
“Niet echt een spannend verhaal”, zegt mijn moeder precies een halve eeuw later. Maar ik vind het boeiend. Het was zo’n andere tijd, zo’n andere wereld. Alleen de kermis is er nog. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Waar moet dat heen

Het zal vast niet haar bedoeling zijn geweest, maar in groep 5 plantte juffrouw Janneke een lied in mijn hoofd dat daar altijd is blijven zitten. Tijdens de muziekles zette ze een cassetterecorder aan en zongen wij de tekst mee van papier. 

‘Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan? Waar komt die rotzooi toch vandaan? Wat moeten wij met ons bestaan? De wereld is nog niet vergaan.’

Door dit refrein legde ik meteen het verband met de milieuproblematiek. Het was de tijd van de slogan ‘een beter milieu begint bij jezelf’ en dit nummer wakkerde bij mij een sterk verantwoordelijkheidsgevoel aan. 

Hoewel ik het lied kan dromen, heb ik nooit geweten van wie het was. Pas onlangs ontdekte ik dat het gezongen werd door Barend Servet in een vervolg van het tv-programma De Fred Haché Show uit 1973. We kregen op basisschool De Beundert in Beuningen dus bijna een 20 jaar oud lied voorgeschoteld. Wel typisch, want juist begin jaren ’70 gingen de eerste alarmbellen af met het milieurapport van de Club van Rome. 

Inmiddels kan op alle vragen uit het refrein een antwoord worden gegeven. Toch blijft de echte actie uit. Deze zomer drong eindelijk tot me door dat een beter milieu niet bij jezelf begint, maar bij de overheid. Individuele aanpassingen hebben nauwelijks invloed. Alleen onze regering kan, samen met die van andere landen, met ingrijpend beleid het tij nog proberen te keren. Dan moet er wel een regering zijn. En het liefst voor november, als in Glasgow de klimaatconferentie plaatsvindt.

Hoe meer ik over de catastrofe lees, hoe wanhopiger ik word. Maar toch blijf ik optimistisch. De mens heeft meer kennis en technische mogelijkheden dan ooit tevoren. Eigenlijk zou ik juffrouw Janneke met haar cassetterecorder naar Den Haag moeten sturen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Film

Een paar jaar geleden zag ik op het Nijmeegse filmfestival Go Short een korte documentaire die veel indruk heeft gemaakt. Het begint met een stilstaand beeld van een glooiend landschap met een zandweg. Na een tijdje verandert er iets. 

Linksboven in de verte doemen mensen op. Ze lopen over de weg, komen steeds dichterbij, passeren de camera en verdwijnen dan rechts uit beeld. Aan het uiterlijk van de wandelaars, wat ze meesjouwen en hoe ze lopen, is te zien dat het om vluchtelingen gaat. Even is het landschap weer leeg, dan volgt een nieuw groepje. 

Ik kijk hiernaar, begrijp wat ik zie en wacht op het volgende shot. Waar gaat dit verhaal heen? Maar een ander beeld komt niet. Minutenlang lopen mensen voorbij. Dat is het. Ik kan niets anders dan beter kijken, en hoe langer ik kijk, hoe meer verschillen ik zie. De een draagt een rugzak, de ander plastic tassen. De een strompelt, de ander stapt flink door. De een wijst naar de camera, de ander negeert hem juist. Er is een echtpaar dat woorden wisselt en een jongetje dat dromerig naar de lucht kijkt. Een vrouw ondersteunt een andere vrouw.

De laatste tijd denk ik weer regelmatig aan deze film. In de krant, op de radio en op tv gaat het over ‘vluchtelingen’, ‘Afghanen’, ‘asielzoekers’ en ‘migranten’. Vaak in combinatie met ‘groep’, ‘stroom’ en ‘crisis’. Het zijn deze woorden die mensen in een ding veranderen, in een nieuwsitem, een probleem, een gevaar. 

De titel van de film heb ik niet onthouden, waardoor ik het niet kan terugvinden op internet. Dat is maar beter ook. Op een laptop werkt zo’n film niet. Dan kun je heel makkelijk wegklikken. In de bioscoop niet. Daar blijf je zitten en onderga je het. Daar ervaar je hoe het ding verandert in losse individuen met ieder hun eigen leven. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Naaktslakken

Blijkbaar moest ik helemaal naar Friesland afreizen om te ontdekken dat naaktslakken best mooie beestjes zijn. Ik had ze vast ook op het Lurvinkpad of op het fietspad langs de Schoenaker kunnen vinden, maar dit is wat een vakantie met je kan doen. In de buurt van het dorp met de fantastische naam Ee (in het Fries: Ie) nam ik de tijd om ze eens rustig te bestuderen. Het is wonderbaarlijk hoeveel beweging er in zo’n fraai gevormde slak kan zitten. Alles aan hun lichaam werkt mee, net als bij een slang. En glijdend over het slijmspoor zat er ook behoorlijk wat vaart in dat beestje. 

De naaktslakken staken een fietspad over. Een vreemde behoefte eigenlijk, omdat ze aan de andere kant precies hetzelfde tegenkomen: gras en grond. Met al die fietsers wagen ze bovendien voor niks hun leven, maar dat weet zo’n slak natuurlijk niet. Ik vind het wel wat hebben. Er zit iets zorgeloos in. Ze gaan gewoon, ongeacht de risico’s. Alles zetten ze op het spel om aan de overkant te komen. Zonder angst en in een vloeiende beweging. 

Toen ik in de verte een fietser aan zag komen, kon ik het niet laten om een slak op te tillen en naar de overkant te brengen. Van schrik kromp het dier ineen. Ik pakte er nog een, maar er was geen beginnen aan. Er gleden er tientallen over het asfalt en ze zouden blijven komen. Ook als ik weer op de camping zou zijn. 

Op de camping zag ik dat eindeloze terug bij de trampoline. Mijn dochters klommen er al om acht uur ’s ochtends op. Ze deden allerlei trucjes, maar maakten vooral vrienden op het springvlak. Urenlang speelden ze ‘blinde mol’, door mijn jongste verbasterd tot ‘blindedarm’. Ze hadden geen idee meer van tijd en dachten ook niet aan eten of drinken. Buiten de trampoline was er niets. 

Dan ben je echt even weg. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Non-binair

Met roodgelakte nagels zat ik in bus 85. Mijn kinderen waren ermee in de weer geweest, maar dat wisten de andere passagiers niet. Ik onderdrukte de neiging om mijn handen te verbergen en dat voelde als een overwinning. 

Het zijn dit soort kleine situaties waar ik langer over nadenk sinds ik samenwerk met iemand die non-binair is. Het valt me steeds meer op hoe alles in de samenleving gericht is op man en vrouw, op mannelijk en vrouwelijk. Het zit ook in de taal besloten. De samenwerking met mijn collega is niets bijzonders, alleen moet ik wennen aan een andere taal: het gebruik van de voornaamwoorden ‘hen’ en ‘die’. Het zorgt ervoor dat ik soms haper in een gesprek. Maar het is goed om dat ongemak te ervaren, want anders zit dat ongemak alleen bij degene die ‘anders’ is. 

Deze zomer zorgde het nieuws over Frédérique voor verontwaardiging. Ze werd in elkaar geslagen omdat ze geen eenduidig antwoord gaf toen iemand vroeg of ze een jongen of meisje was. Maar er was ook ophef over Lufthansa. Het personeel zegt voortaan niet meer ‘dames en heren’, maar gewoon ‘hartelijk welkom’. Veel mensen vinden het prima als iemand non-binair is, zolang er niets verandert. Zoiets als genderneutrale toiletten vinden ze onzin. Ze vragen zich af waarom het nodig is, want zij hebben het niet nodig. Maar dat jij het niet nodig hebt, betekent niet dat een ander het ook niet nodig heeft. Als er alleen een mannen- of vrouwentoilet is, dan zeg je eigenlijk tegen non-binaire mensen: jullie bestaan niet.

Veranderingen zijn altijd lastig, maar schrijver Selm Wenselaers verwoordde het mooi: “De wereld is er niet per se ingewikkelder op geworden; er zijn wel steeds meer perspectieven die naar buiten komen en die uitnodigen om na te denken en zacht mee te bewegen.”

Deze column verscheen in De Gelderlander.