Verlangen

Hoeveel nachten ik wel niet naar meisjes heb uitgekeken zonder dat er ook maar iets, al was het heel klein, gebeurde. Ik was 16, 17, 18, 19 en leverde mijn jas in bij de garderobe van De Morgenzon (Zeeland), De Linde (Groesbeek), De Paulus (Winssen, met carnaval), De Ouwe Deeg (Ewijk, met de kermis) en in de stad: De Spijker, NDRGRND, Merleyn en Billabong. 

Ik heb gedanst en gedronken, grappen gemaakt met vrienden, en dat alles met altijd een meisje in mijn hoofd. Een bekende of onbekende in de menigte. Of iemand op wie ik al een tijdje een oogje had, maar die niet aanwezig was en van wie ik hoopte dat ze nog zou komen. Wat natuurlijk vaker niet dan wel gebeurde.  

Het valt te raden: tot actie kwam het nooit. Ik was een treurig geval, zou je kunnen zeggen. Verloren nachten, verloren jaren. Misschien wel, maar zo kijk ik er niet op terug. Ik vermaakte me prima. Ik was gelukkig in die nachten. Door de muziek, de drank en al die mensen om me heen. Het verlangen was mijn brandstof voor de nacht. Nooit verveelde ik me en nooit keek ik de volgende dag met spijt terug. Verlangen kan een heel fijn gevoel zijn. Het voordeel van passief zijn, is dat alle opties openblijven. Ik wist niet eens precies waar ik naar verlangde. Een gesprek, een arm om me heen, zoenen, of meer. Ik wist niet hoe het zou gaan als het een keer wel zou lukken.

Maar voor dat verlangen had ik wel die disco’s en cafés nodig. Het bier, de geur van parfum en make-up, het duwtje tegen mijn arm als iemand erlangs wil, het wachten bij de bar. Britney Spears, No Doubt, Sean Paul en The Offspring. Thuis zitten, dat zou pas verdrietig zijn.

Daarom zou ik het prima vinden als ze mij als laatste vaccineren. Ik heb mijn slaap nodig. Voor jongeren is elke nacht zonder uitgaan een verloren nacht.

Deze column verscheen in De Gelderlander.


Ondergrei

‘Trek elke week schun ondergrei oan’, zing ik als ik de gewassen onderbroeken van mijn dochters weer terugleg in de kast. Het is een regel die zo nu en dan bij me opborrelt, afkomstig uit het lied Dern, dern, luuster noar moed van Herman Polman. Het staat op Het Beste van Gelderland Plat, een cd uit 1993 die wij vroeger vaak op hadden staan. Dit nummer was onze gezamenlijke favoriet.

Als ik het weer opzet, begrijp ik niet waarom dit geen groter bereik heeft gehad. Door de accordeonbegeleiding en het dialect klinkt het misschien als een makkelijke dijenkletser, maar dan heb je niet goed geluisterd. De vorm is ijzersterk. Een moeder geeft adviezen aan haar boerendochter, ergens in het midden van de vorige eeuw. Dit had mijn overgrootmoeder kunnen zijn die tegen mijn oma sprak. Het gaat over balkenbrij, borstrok, sodawater, wecken en ouwe piepers. Ook een 1-april-grap komt voorbij: ‘Lup nie ut hele durp op en neer / um te vroagen noar de kersenscheer’. Met de ogen van nu is het lied behoorlijk seksistisch, zeker bij de regel: ‘zorg (…) da je met de baas nie sjengt’. Maar elke week ‘schun ondergrei’ aantrekken is dan weer een uitstekend advies tegenwoordig, want goed voor het milieu.

Herman Polman (1937 – 2007) was zeer actief in het culturele dorpsleven van Elst en later Bavel, zo leert internet mij. Hij trad in de regio op als buutreedner en publiceerde boeken over de plaatselijke geschiedenis. Maar juist met dit komische lied ontstijgt hij dat lokale. Het is een tijdsbeeld dat je mee kunt zingen, ook als je niet alles goed verstaat, zoals ik.  

Dern, dern is het enige lied van Polman op internet. Laat het eindelijk een klassieker worden. Moederdag lijkt me een prima start voor een opleving. Het is te vinden op YouTube en Spotify. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Oorlog

Toen ik deze week een mail aan mijn vriend Ton in Thailand schreef, werd ik me ineens heel bewust van de situatie waarin we zitten. Het bericht ging over van alles en nog wat, werk en privé, en op een bepaald punt tikte ik als een soort tussendoortje een paar woorden over de pandemie. 

In de brieven die mijn oma ontving in de oorlog stond het er net zo. Ik heb weleens een stapeltje doorgenomen. Die brieven, vaak in hanenpotenhandschrift, gingen over allerlei grote en kleine zaken, vrijwel altijd persoonlijk. Ik moest dan echt speuren naar een oorlogsverwijzing. Meestal bleef het bij een zinnetje, ergens halverwege, over bijvoorbeeld voedselbonnen.

De vergelijking is al vaak gemaakt en hij slaat eigenlijk nergens op, toch ben ik in mijn leven nooit dichterbij het gevoel van oorlog geweest dan nu. Dat is goed te zien als je zo’n oude brief naast mijn mail legt. De oorlog was bijna nooit het grootste onderwerp in een brief, want wat moest je nog zeggen over een situatie die al zo lang duurde, waar iedereen mee te maken had en waar je geen enkele invloed op had. Het was ingrijpend, het was het decor waarin je leefde, maar daar was je gewend aan geraakt. Bovendien gebeurde er in het dagelijks leven vaak niet zo veel. Er was wel altijd nieuws, dat zeker, er zat constant beweging in de situatie, maar dat speelde zich af op andere plekken in het land, in Europa of in de wereld. 

De pandemie is elke dag voorpaginanieuws, maar ik volg niet alles. Het leven gaat gewoon door. Ik werk, ik lees, ik kook, ik tuinier, ik breng de kinderen naar bed. Ondertussen is er altijd die onzekerheid over hoe lang het nog zal duren en hoe de wereld er daarna uit zal zien. Pas dan weet ik ook wat de impact is. Die mail aan mijn vriend zal ik goed bewaren.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dominicus

In mijn tijd op de middelbare school had ik weinig met het Dominicus College. De stuudjes van de Energieweg liepen regelmatig door onze gangen, omdat ze gebruik maakten van ons ultramoderne technieklokaal. Ze hadden geen gel in hun haren, droegen bijna allemaal brilletjes, spraken in volzinnen en hielden hun kinnen hoog. Ook zag je ze soms in hun zwart-witte tenues op de velden achter onze school rennen. Dan lachten we ze uit, want wij hadden geen verplichte gymkleding.  

Ik zat op Nijmegen-West aan de Dennenstraat. Ik had de school gekozen vanwege de kleinschaligheid – slechts 600 leerlingen – en het mooie, oude gebouw. Bovendien werkte er in mijn eerste jaar nog een non bij de administratie, toen al een verschijning uit vervlogen tijden. Tijdens mijn havojaren vond er een fusie plaats, maar daar kreeg ik weinig van mee. Wel kwam op mijn rapport ‘Dominicus College Nijmegen-West’ te staan. Dat vond ik heel stom, maar ik was dan ook een puber. Nadat ik mijn diploma haalde, ging het gebouw plat en vertrokken de leerlingen die na mij kwamen naar de Energieweg. 
 
Een kwart eeuw later kijk ik met een heel andere blik naar het Dominicus College, onder meer door het contact met een oud-docent en een oud-leerling. Die laatste toonde me onlangs zijn perspectief: hij was altijd bang dat we hem iets aan zouden doen als hij door de gangen van Nijmegen-West liep.  

Inmiddels dreigt een nieuwe fusie. Mogelijk wordt het Dominicus opgeslokt door het Kandinsky College. Reden: te weinig leerlingen. Kleinschaligheid is wat iedereen al jaren wenst, maar ondertussen blijven de leerfabrieken groeien. Hyperefficiëntie en kortetermijndenken domineren nog altijd het beleid. Zo bezien heb ik meer ontwikkeling doorgemaakt dan de hoge piefen in het voortgezet onderwijs.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dictatuur

Ze zijn er nog steeds. Mensen die geloven dat het virus niet bestaat, of in elk geval geen schade toebrengt, en die denken dat vaccineren het grote kwaad is. Anderhalve week geleden deelde de gemeente Beuningen op Facebook een voorlichtingsfilmpje over testen. Binnen de kortste keren stonden er allerlei schreeuwerige tekstplaatjes onder. Het is er nog steeds. Mijn woede over dit soort reacties. Ik had verwacht dat het me inmiddels weinig meer zou doen, maar ik moest sterk de neiging onderdrukken om niet te reageren. Vooral door het woord ‘dictatuur’ stonden mijn nekharen recht overeind. Hebben die mensen enig idee waar ze het over hebben? Of moet je ze daarvoor een rondreis door Noord-Korea of Syrië aanbieden?

Hij is er nog steeds. Overal zijn de uitingen van de campagne allang verdwenen, maar in de middenberm tegenover de ingang van afvalverwerker ARN stond tot drie weken na de verkiezingen nog een bord met daarop het hoofd van Baudet. In november viel zijn partij vrijwel uit elkaar, maar met zijn coronaontkenning zorgde hij er toch voor dat zijn partij verviervoudigde. Samen met zijn oud-kompanen en charlatan-evenknie Wilders bezet hij een vijfde van de Tweede Kamer. In 1989 hadden we één Hans Janmaat, nu hebben we er 28. Ze verknippen debatfragmenten, schelden op minderheden, rechters, wetenschappers, journalisten en collega-politici, en brengen desinformatie en complottheorieën het parlement in. Alles op haat en wantrouwen, alles op effectbejag. Als er ergens een dictatuur kan ontstaan, is het wel in deze hoek.

Iemand heeft het verband gesnapt tussen het verkiezingsbord en de afvalverwerker. Baudet is verdwenen van de Pieckelaan. Maar in Den Haag zal hij nog blijven, ook als het virus door vaccinaties het onderspit heeft gedolven.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

School

Daar gaat ze. Met een rugzak om, haar haren in een staartje en haar lievelingsrok aan stapt mijn jongste dochter voor me uit. Ze kent de weg. Dit is de route naar de kinderopvang. Maar dit keer is het anders. Naast de opvang zit de school. Daar is ze al vaak geweest, ook binnen, maar altijd vanwege haar zus. Nu gaat het om haar. Ze kijkt achterom, glimlacht en loopt door. 

Ooit liep ik dezelfde weg op een andere plek. Onze boerderij stond midden in Beuningen. Ik hield de hand van mijn moeder vast, terwijl we over de brede stoep langs de Wilhelminalaan liepen. Aan die stoep leek geen einde te komen. Toch zijn we op een gegeven moment afgeslagen en bij een poort gekomen, een plein, een deur, een gang met haakjes aan de muur. Ik hing mijn jas aan een haakje en kreeg een kus van mijn moeder. De juf boog zich naar me toe en gaf me een hand. Mijn moeder zwaaide. De juf duwde me zacht richting klaslokaal. 

Mijn dochter vroeg vorige week wat dat blauwe bord betekent met de pijl die omhoog wijst. “Moet je daar de lucht in rijden?” Precies die gedachte heb ik ook ooit gehad. Pas wilde ze weten wat ‘waarheid’ was. Ze ving het woord op van tv. “Goeie vraag”, zei ik. “Misschien wel de beste. De vraag der vragen.” Ze was niet onder de indruk, ze pakte de afstandsbediening en zette het geluid harder.

Mijn jongste is er klaar voor. Ze kent de school en het schoolplein. Ze kent zelfs wat kinderen uit de klas. Het maakt niets uit. Spannend en nieuw blijft het. Ze slaapt de laatste tijd slecht, is snel uit haar hum. 

We lopen tussen huizen door, steken over, komen langs een heg waar ze een blaadje van aftrekt. Met elke stap die ze zet, komt de school dichterbij. Ze kijkt vooruit, opzij, achterom en ik weet: dit gaat ze onthouden. En zij niet alleen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Boerenrepubliek

Een rood-wit lint dwars over de oprit, een ontsmettingsbak en een bordje met strenge voorschriften op de staldeur. Dat zijn mijn herinneringen aan de MKZ-crisis die door de documentaireserie De boerenrepubliekweer boven komen drijven. Buitenstaanders mochten niet meer het erf op en zelf kwam ik zo min mogelijk in de stal. Het maakte indruk, maar nooit had ik het idee dat er op onze boerderij dode koeien in vrachtwagens zouden worden getild. Het was crisis op afstand, het bleef bij de heftige beelden op tv.

De MKZ-uitbraak van 2001 vormt de rode draad van De boerenrepubliek en dat is niet voor niks. De kwestie laat heel scherp de pijnpunten van de intensieve landbouw zien. Daarbij moet ik denken aan Sicco Mansholt, de eerste landbouwminister na de oorlog. Hij bracht de schaalvergroting op gang, maar zag al snel dat het te hard ging met de productie en dat dit problemen zou opleveren. Eind jaren ’60 probeerde hij het tij te keren, maar zonder succes. Het streven naar maximale groei bleef de koers bepalen.

Het is een gevoelig thema. In de serie komen verschillende perspectieven aan bod en daarbij is het vaak persoonlijk en emotioneel. Zelf sta ik er dubbel in. Enerzijds gun ik de boeren een bloeiend familiebedrijf waar ze met hart en ziel voor werken, anderzijds maak ik me zorgen over het klimaat, biodiversiteit en dierenwelzijn. Het systeem moet grondig veranderen, maar hoe? In de serie mis ik vooralsnog de rol van banken, supermarkten, veevoerbedrijven en natuurlijk de consument. Zij zijn onderdeel van het systeem. In Nederland wordt gemiddeld minder dan 10 procent van het inkomen besteed aan voeding. Ook dat is onhoudbaar.

Met nog twee afleveringen te gaan, doemt bij mij de vraag op wie de nieuwe minister van landbouw wordt. Wie durft het aan? 

Deze column verscheen in De Gelderlander.
De Boerenrepubliek bekijk je hier.

Millingerwaard

We wilden met de kinderen naar de Millingerwaard, maar dat ging niet zonder slag of stoot. Bij het woord ‘bos’ begon de oudste te steigeren. Pas toen ik voorstelde om de Paw Patrol-bal mee te nemen, kregen we haar schoorvoetend mee. De hele rit hield ze de bal in haar handen. Eenmaal uit de auto liet ze hem hard op de grond stuiteren, schopte hem en rende er lachend achteraan. Het zou een mooie ochtend in de natuur worden, dachten we.
 
Iets verderop ging het bijna mis. Links van het pad lag een kolk, rechts een moeras. Mijn dochter liet de bal weer stuiteren en schoot hem tussen de bomen door richting het moeras. Ik kreeg hem nog net te pakken, maar ik zei dat ze er op dit stuk beter niet mee kon spelen. Dat deed ze even later toch en ik nam de bal over. Straks mocht ze hem weer hebben. 

Bij een T-splitsing keken we uit op een rivierarm. Er was iets meer ruimte en in een impuls gaf ik de bal een schop. “Doe dat nou niet”, zei mijn vrouw. Ze had gelijk, maar het was al gebeurd. De bal stuiterde richting het water. Ik ging erachteraan en verwachtte hem te kunnen vangen, maar de wind had er vat op. De bal kwam in het water terecht. Nog steeds dacht ik dat ik hem kon hebben. Ik pakte een tak van de grond en hengelde naar de bal, maar onderschatte de lichte stroming. In een frustrerend kalm tempo dreef hij steeds verder van de kant af. Mijn dochter liep hem langs de oever achterna en ik liep haar weer achterna. Aan de overkant bleef de bal steken, op een plek waar we onmogelijk bij konden komen.  

Mijn dochter was ontroostbaar. Ze keek naar de bal en ze begreep dat ze hem kwijt was. Ik baalde omdat ik een stuk plastic aan de natuur had gegeven. Veel eerder dan gepland keerden we terug naar de auto, waarbij we werden nagekeken door de bal.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Brandweer

Als er geen corona was, zou mijn vader elke maandag bij zijn derde familie zitten. “De eigen familie is de eerste, de schoonfamilie de tweede en de brandweer de derde, zo wordt wel gezegd.” Jaren geleden ging hij met brandweerpensioen, maar nog altijd heeft hij nauw contact met de mannen. Omdat dit nu niet kan, neem ik die rol over.   

Mijn vader vertelt dat de kapper, tevens commandant, hem vroeg voor de vrijwillige brandweer. “Geen jongensdroom. Ik deed het omdat ik dan niet in militaire dienst hoefde.”
Hij kreeg meteen een essentiële taak. De kazerne stond tegenover onze boerderij. Als er brand was, werd hij gebeld om de sirene aan te zetten. “Zo werden de brandweerlui toen opgeroepen.” 

Hij maakte heftige zaken mee: mensen die in de Waal waren verdronken, doden in auto’s. “Als ik het bericht ‘verkeersongeval met beknelling’ kreeg, dan schoot de adrenaline omhoog. Dan wist ik dat het ernstig was.”

De moeilijkste situaties waren die met bekenden, zoals met een collega-boer die in de mestput viel. “Hij werd gereanimeerd, maar het mocht niet baten. Daar lag ik wakker van.”
Of de brand vlakbij onze boerderij. “We zagen rook. De mensen stonden buiten, in paniek. Mijn pak hing in de kazerne, dus moest ik er eerst langsrijden. Heel raar.”  

Er waren ook mooie uitrukken, zoals de branden in ’88 toen een pyromaan actief was bij fabrieken in Nijmegen en Weurt. “Grote vuren. Alleen materieel, dus niet zo erg.”
En de grappige gevallen. Een paard in een zwembad en een brand bij twee beschonken broers. “Het halve huis was afgebrand, maar een van de twee zat weer in zijn stoel voor zich uit te staren, voeten in het bluswater.”  

Als mijn vader door de omgeving rijdt, weet hij bij veel huizen niet alleen wie er heeft gewoond, ook wat er is gebeurd.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Alles is politiek

Toen mijn oudste dochter haar eerste woorden op papier zette, vroeg mijn vader of ze links of rechts was. “Rechts”, zei ik. “O”, zei mijn vader zogenaamd verbaasd, “ik dacht dat ze in Nijmegen allemaal links waren”. 
Padoem pats. 

Toen ik in de eerste lockdown wekenlang niet naar de kapper kon, vroeg mijn broer of ik mijn haar net als die andere mannen in de stad in een knotje ging dragen. “Nee”, zei ik. “En ik heb ook nog geen bakfiets aangeschaft.”

Vertel me waar je woont, wat je eet, welke kleding je draagt en ik weet waar je op stemt. Politiek zit in alles. Misschien dat ik het daarom waardeer als iemand speelt met de verwachtingen. Willem Engel bijvoorbeeld. Hij ziet eruit als een linkse jongen. Dat hij een dansschool heeft, maakt het plaatje compleet. Maar hij wil niet meer overheid, maar minder. Veel minder. Hij is eerder rechtser dan rechts. Dat hij met zijn uiterlijk iedereen op het verkeerde been zet, is wel echt het enige wat ik aan hem waardeer. 

Mijn oom heeft in het verleden ook met verwachtingen gespeeld. Jarenlang zat hij namens GroenLinks in de gemeenteraad van een villadorp. Voor de vergaderingen trok hij altijd een net pak aan. Daarmee ontkrachtte hij een vooroordeel van zijn rechtse collega’s, die flink in de meerderheid waren. Het was ook een soort camouflagepak, een manier om ervoor te zorgen dat ze tenminste voor even naar hem zouden luisteren.  

Mijn dochter draagt jurken, rokken en broeken. De ene dag skeelert ze rond op de boerderij, de andere dag in de stad. Als je naar haar benen kijkt dan zie je rechts schaafwonden en links blauwe plekken. Nog zeker drie kabinetten mag ze apolitiek zijn. Daarna ook nog, maar dan is het een keuze en daarmee dus politiek. Ik ben benieuwd hoe ze het spel gaat spelen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.