Machthebber

.
Het blijft een apart gezicht: volwassenen met een cape om en een pauwenveer op hun hoofd die onder hoempamuziek een zaal binnenkomen. Ik hou van carnaval, ben ermee opgegroeid, maar inmiddels ken ik meer mensen die niets met het feest hebben dan die dat wel hebben. En ik begrijp ze. Een beetje.
.
Dit jaar bestaat het Beuningse prinsengezelschap uit vier bekenden, dat is me nooit eerder overkomen. Met prins Paul ging ik ooit eens op vakantie naar Duitsland, adjudant Heino is mijn neef en tevens degene die me tijdens carnaval de grote zaal binnenloodste terwijl ik daar eigenlijk nog te jong voor was, met page Marlien bouwde ik jarenlang carnavalswagens en met page Sandra heb ik veel geproost op carnaval.
.
Op Facebook zag ik foto’s voorbij komen van de prinsonthulling en ik moest daar ineens aan wennen. Volwassenen in kostuums, ze leken het zo ontzettend belangrijk te vinden. Er volgden meer en meer foto’s, en toen viel bij mij eindelijk het kwartje. Carnaval is een spel en een spel moet je serieus spelen, anders kun je het beter laten. Dat is wat ze doen: ze nemen het spel serieus, maar zichzelf niet al te. De ideale combinatie.
.
Carnaval is zo’n mooi spel omdat het een narrenfeest is. Drie dagen lang wordt het publieke leven flink op de hak genomen, met eigen regels, eigen rituelen, eigen muziek en eigen machthebbers. Prins Paul 2 is niet democratisch gekozen en voerde campagne nadat hij al was gekroond. Het is de wereld op z’n kop. De afgelopen tijd bezocht hij vrijwel elke groep in Beuningen die een carnavalswagen bouwt. Hij dronk een biertje en maakte een praatje. Een machthebber die er is voor zijn volk, simpelweg door er ook echt te zijn, dat zie je niet altijd. Zelfs niet in verkiezingstijd.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

IJstijd


Op de boerderij van mijn ouders vond ik een emmer vol met ijs. Ik drukte er mijn vinger op, schopte tegen de zijkant en ging er op staan. Zeker een kwartier lang was ik, gebiologeerd als een kind, in de weer met het bevroren water.
.
We zijn pas net over de helft, maar we kunnen nu al spreken van een echte winter. Eindelijk weer sneeuw en ijs, en dat meer dan een week lang. En nu zitten we weer in een kleine koude golf.
Maar wat is een echte winter? In kinderboeken over de vier seizoenen verbeelden ze de winter steevast met sneeuw en ijs. Dat is wel een heel kort seizoen dan, want hoe zit het met al die andere, warmere dagen tussen december en maart?
.
In de jaren negentig was de winter nog andere koek (en zopie). Althans, in mijn gekleurde herinnering. Wekenlang lag er ijs op de sloten en in de uiterwaarden, en dat betekende: wekenlang ijshockey.
Verder terug, in de jaren vijftig, bestond het woord ‘natuurijs’ nog niet, alles was natuurijs. In het onlangs verschenen boek De Nije Weg, over het leven tussen 1930 en 1960 in de gemeente Beuningen, lees ik dat Beuningen, Ewijk en Weurt ieder hun eigen ijsvereniging hadden. Lidmaatschap kostte 1 of 1,50 gulden per jaar. De vereniging hield wedstrijden in schoonrijden en hardrijden. Langs de ijsbaan klonk muziek, werd eten verkocht en ’s avonds was de baan verlicht. Als het begon te dooien, kon je altijd nog even ijshockeyen.
.
Stilzwijgend is er een enorme verandering aan de gang. Wie herinnert zich nog het nieuws uit november, dat de temperatuur op de Noordpool 20 graden hoger ligt dan normaal?
Vorige week kwam het klimaatvraagstuk bij me op bezoek. In de gootsteen vond ik een wesp die doodleuk richting het aanrecht kroop.
.


Deze column verscheen in De Gelderlander.
Afbeeldingen zijn afkomstig van de website Oudbeuningen.nl.
.

Begrafenis van mijn personages

Met schrijfster en radiomaker Lisa Weeda reisde ik af naar Deest voor de begrafenis van mijn personages. Enkele maanden terug besloot ik namelijk het verhaal dat een boek had moeten worden (en waar ik vier jaar aan gewerkt had) weg te gooien. Zie mijn column Mislukt.
In de nieuwste aflevering van Ondercast, de maandelijkse literaire podcast, is te horen hoe we Mannes en Margreet ter aarde bestellen (en hoe we zoeken naar Frits de pony). De aflevering beluister je hier.
(Mocht je zeer ongeduldig zijn: het item is te vinden op ongeveer 01.00. Maar dan mis je wel de mooie bijdragen van Hanneke Hendrix, Rik Sprenkels, Jasper Henderson en Corinne Heyrman.)
.
PS 1: Hier boven poseer ik voor een grafstenenwinkel van Deest. Een winkel die te werkelijk is om in fictie te stoppen.
PS 2: ‘Begrafenis van mijn personages’, de titel van dit bericht, is een knipoog naar de meesterlijke bundel van Anneke Claus. Dat moet wel even gezegd worden.
.

Hond


Een jonge asielzoeker eet samen met een Chinees meisje. Het meisje heeft gekookt. Als de borden leeg zijn, komt het gesprek op cultuurverschillen. Het meisje vertelt dat ze weleens hond heeft gegeten. De asielzoeker kijkt haar met grote ogen aan. Hij denkt aan die paar keer dat hij haar heeft gezoend.
“Echt?” vraagt hij.
Het meisje lacht.
“Ja, echt.”
De asielzoeker excuseert zich en op het toilet komt al het eten dat het meisje heeft gekookt weer naar buiten. Later schrijft hij haar een brief, waarin hij een einde maakt aan hun prille relatie. In de brief somt hij op waarom het niet werkt tussen hun twee, maar de echte reden zet hij niet op papier.
De asielzoeker rookt een sigaret als hij mij dit verhaal ’s avonds op straat vertelt. Ik vind het ergens iets weghebben van een mop: ‘Zit een asielzoeker met een Chinees meisje te eten, zegt het meisje…’ Een asielzoeker in een mop, het is weer eens wat anders.
Toch komen we op dat ene, onvermijdelijke onderwerp: de vluchtelingencrisis. De asielzoeker zegt dat hij begrip kan opbrengen voor de protesten. In zijn eigen land gaan ze ook de straat op als er grote aantallen vluchtelingen uit een buurland worden binnengelaten. Maar als ik naar zijn toekomst vraag, naar zijn dromen, glimlacht hij alleen een beetje en kijkt naar de grond.
Deze jongen komt niet in het nieuwe azc in Ewijk te wonen. Hij is uitgeprocedeerd. Oftewel: uit de procedure gehaald, uit het systeem, als een defect product in een fabriek. Ik ben hem zomaar tegen het lijf gelopen. Ik weet niet waar hij verblijft, maar hij is hier, tussen ons.
Hij drukt zijn sigaret uit, zet de kraag van zijn jas omhoog en verdwijnt in de nacht, als de hond in de keel van het meisje.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Knollenland

cram006vers01ill0014 .
Wekelijks rijd ik zingend Beuningen binnen. Niet omdat ik zo’n blije kerel ben, maar om voor mijn dochter van twee de tijd in de auto te doden. Ik neem het kinderrepertoire door, waarbij ze bij sommige liedjes steeds het laatste woord van de regel invult. Zo zoef ik over de Van Heemstraweg, met onvaste stem en knijpende ogen vanwege de lage winterzon in de voorruit.
.
Onlangs realiseerde ik me dat er geen droevige liedjes door onze gezinswagen klinken. Er zaten zeven kikkertjes en In een groen knollenland sla ik onbewust over. En dat terwijl er wel regelmatig een hoerenliedje voorbij komt: Altijd is Kortjakje ziek. Een lofzang op sekswerkers, want ‘Kortrokje’ ligt de hele week op bed en vraagt God op zondag om haar zonden te vergeven. Maar dat geheel terzijde.
.
Wat betekent het dat ik die droevige liedjes vermijd? Probeer ik haar de ellendigheden van het leven te besparen? Of heb ik gewoon geen zin om die treurige verhalen te bezingen? Ik weet het niet, waarschijnlijk allebei een beetje. In elk geval heeft het niets met mijn eigen boerenjeugd te maken. Ik werd niet wild enthousiast als er weer een dode haas in de kelder lag – cadeautje van de jager – maar ik heb daar geen trauma aan over gehouden. En de kikkers die ik vroeger bij de sloot vond, sprongen vrolijk rond.
.
Ik heb me voorgenomen om de droeftoeters van de Nederlandstalige kindermuziek niet meer uit de weg te gaan. Omdat het leven nu eenmaal niet alleen hosanna is. De week van een prostituee is ook geen vrolijke boel. En mijn dochter ziet het nog niet vanuit haar zitje, maar we rijden met de auto vaak langs opengereten vogels, poezen of egels.
Pas huilde ze omdat ze koude handjes had. Toen dacht ik: als het daarbij bleef.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Tekening van illustratrice, boekbandontwerpster en schrijfster Rie Cramer (1887-1977). 

.

Moment

winssendeestbankje4.
Het mooiste moment van het afgelopen jaar voor mij was toen ik op een zonnige septemberdag met de auto langs een echtpaar op een bankje reed. Dat klinkt onbenullig en dat is het misschien ook. Het betrof het bankje aan de Van Heemstraweg tussen Winssen en Deest. De man en de vrouw waren op middelbare leeftijd. Ze hadden hun fiets naast het bankje gestald en keken, terwijl ze een boterham aten, naar de drukke weg voor hun neus. Als ik niet in de auto had gezeten, zou ik zeker een foto van ze hebben gemaakt.
.
Het echtpaar had overal kunnen pauzeren van hun fietstocht – er zijn genoeg mooie, stille plekjes in de omgeving – maar ze kozen voor het zicht op de Van Heemstraweg. Het leek alsof ik met mijn auto onderdeel was van een metafoor. Ik had de radio aan, een nieuwszender, en er zal ongetwijfeld iets gezegd zijn over de Amerikaanse verkiezingsstrijd, de Brexit, de aanslagen in de zomer, de oorlog in Syrië, de ouderenzorg of de vluchtelingen. Het echtpaar keek naar al die voorbij razende auto’s met hun radio’s en at rustig door. Ze gaven geen oordeel, ze lieten de situatie op zich inwerken.
.
Begin december sprak ik met mijn vader over de problemen in de veeteelt. Nog zo’n moment. Aan de keukentafel schetste hij voor mij de situatie. Zonder emotie, zonder mening. Natuurlijk had hij wel een mening, maar hij liet toen, op dat moment, alleen zien hoe complex het allemaal in elkaar stak.
.
Dat was ook wat ik in het echtpaar in Winssen zag: ze erkennen de complexiteit der dingen. Ze riepen niet meteen, maar ze keken ook niet weg. Ze namen het in zich op. De redelijkheid stond voorop. En dat is wat ik wens voor het nieuwe jaar. Meer van zulke echtparen op bankjes.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Toren

14691280_1446740772020092_2389027141862446358_o

.
Elke keer als we bezoek krijgen in ons nieuwe, tijdelijke huis, loopt mijn dochter van bijna twee naar het raam en wijst naar buiten.
“Tore’!”
Het uitzicht op de Sint Stevenskerk is het begin van haar rondleiding en tevens het hoogtepunt.
Nimmer had een kerk zo’n prominente plek in mijn leven. Mijn dagelijks leven, wel te verstaan. Als ik wil weten hoe laat het is, hoef ik maar uit het raam te kijken. Of ik luister naar hoe vaak ze de klok luiden.
Bij protestanten herinnert het luiden van de klokken, bij begrafenissen in elk geval, aan de vergankelijkheid van het bestaan. Bij ons herinnert het aan de vergankelijkheid van ons onderkomen. We wisten het van tevoren: na drie maanden moeten we weer vertrekken.
Dankzij mijn dochter ben ik me heel bewust van de kerk. We lopen door de benedenstad en steeds merkt ze eerder dan ik een ander doorkijkje op.
“Tore’!”
Op de Waalkade houd ik haar op de arm. We kijken naar de bootjes die voorbij varen. Ineens steekt ze haar hand uit.
“Tore’!”
Het is de kerk van Lent. Ze draait haar hoofd om en haar hand gebaart naar die andere toren, háár toren, onze toren.
In Beuningen is ze me opnieuw voor. Vanuit de voortuin van mijn ouders is de Corneliuskerk te zien.
“Tore’!”
Jarenlang heb ik vanuit mijn slaapkamer dit uitzicht gehad, maar ik heb nooit echt goed gekeken.
Er zijn momenten dat ze de Sint Stevenskerk kwijt is en hevig naar hem verlangt. Dan hangt er mist voor.
“Tore’ weg?”
Zo went ze alvast een beetje.
Maar ook als ze hem niet kan zien, weet ze dat hij er is. In de Lange Hezelstraat zoekt ze hem niet meer, maar blijft ze wel luisteren.
“Bim, bam, bom,” zingt ze met hem mee.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Overbuurman

tonnie-de-krijger
.
Nooit geweten, maar mijn vroegere overbuurman was de plaatsvervanger van sinterklaas. Ik ontdekte het bij zijn overlijden, begin dit jaar. Tonnie de Krijger bleek de langst actieve hulpsint van Nederland te zijn: 63 jaar achter elkaar zette hij in december een mijter op.
.
Het kon er nog wel bij. Voor mij was De Krijger al een soort lokale Toon Hermans. Hij schreef het Bunnings volkslied en trad met veel succes op. Op een oude foto, geschoten op de bruiloft van mijn ouders, stond hij verkleed als Tango Johnny, een typetje met lange armen. Elke keer als die foto weer tevoorschijn kwam, reageerden mijn ouders enthousiast. Ze vertelden over zijn moppen, dat hij zo goed mensen na kon doen en ook nog eens zeer muzikaal was.
.
De Krijger was de eerste prins carnaval van Beuningen. Toen ik op 10-jarige leeftijd mijn ambitie om jeugdprins te worden kenbaar maakte aan mijn ouders, wezen ze meteen naar de overkant van de straat. Onze overbuurman aan de Van Heemstraweg stond elk jaar met een stuk in het carnavalsblaadje. Hij was de Grootvorst van Eikelenburg. Ik moest hem maar een brief schrijven. Dat heb ik gedaan. “Geachte Grootvorst,” begon ik mijn epistel. Prins werd ik niet, wel lid van de Raad van Elf.
.
Bij zijn overlijden, De Krijger werd 92 jaar, kwam ik een lijst onder ogen van wat hij allemaal had gedaan. Het hield niet op. Hij was niet alleen de eerste prins, hij had de carnavalsvereniging mede opgericht. Ook was hij oprichter van het mannenkoor en van de Beuningse Lentefeesten. Hij zette zich in voor de toneelvereniging, de voetbalclub en ga zo maar door.
.
Het wordt een andere pakjesavond. Ik weet nu wie er vroeger onder die baard schuilging, en ik weet dat het dorp zo’n figuur nooit meer terugkrijgt.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Mislukt

20161008_160124.
De Ewijkse slager Peter Willems zal zich al een tijdje afvragen wanneer dat boek nou eindelijk eens komt, maar ik kan hem zeggen: dat boek komt niet meer. Bijna vier jaar heb ik gewerkt aan een nieuwe roman. Ik schreef zeven versies en bouwde een stapel van drie meter aan aantekeningen. Twee keer gooide ik het verhaal om en begon min of meer opnieuw.
.
Het verhaal draaide grotendeels om een fictieve slagerij in Deest. Details uit Deest die niet fictief zijn en wel in het verhaal zaten: Frits de pony, de dijk, het voetbalveld, de Ganzenkuil, het dorpshuis met de parkeerplaats ervoor. Een detail dat te mooi was voor het verhaal: de grafstenenwinkel aan de Grotestraat.
.
Bij slager Willems liep ik met pen en papier rond in de werkplaats. Ik heb hamburgers verpakt met een sealapparaat, worsten gevlochten en oormerken uit varkensoren gesneden. In de slachterij van zijn zoon zag ik hoe een koe in een karkas transformeerde. Mijn schrift zat onder het bloed.
.
De uitgever had twijfels en die bevestigden mijn eigen twijfels. Bij vlagen was het verhaal goed, maar in z’n geheel niet. Ik ben verdronken in de details, de kern kreeg ik nooit scherp. Dan is het op een bepaald moment klaar. Dat is klote, maar het lucht ook op.
.
Toch blijft het een verhaal dat vier jaar in mijn hoofd heeft gezeten. Ik moet afscheid nemen van Teun, Theo, Margreet, Mannes en Oude Hent. Het zegt niemand iets en het zal niemand ooit iets zeggen.
.
Nadat ik het pand van de uitgever had verlaten, dwaalde ik door Amsterdam en dacht ik melodramatisch dat ik nooit meer zou schrijven. In de trein terug naar huis kwamen de nieuwe ideeën.
.
Nul woorden heb ik nu. Alle opties zijn open.

.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Wasstraat

20161101_122650

.
In de wasstraat raak ik alle controle kwijt. Een man in overall gebaart dat ik naar voren moet rijden. Zodra de wielen op een soort van lopende band staan, mag ik niks meer doen. Op een bord staat vermeld dat ik niet mag sturen, niet mag remmen, geen gas mag geven, de auto niet in een versnelling mag zetten en de ramen dicht moet hebben.
Met horten en stoten komt de auto in beweging, als een karretje van de achtbaan. De man in overall werpt nog snel een blik in de auto om te controleren of ik me aan alle regels hou. Dan volgen de sproeiers, de grote, lange poetslappen en de droger. Ik hou mijn armen over elkaar en laat alles op me af komen. De auto rolt vooruit. Ik kan niet meer naar buiten kijken. Ik richt me op het dashboard, maar dat werkt niet, ik kan niet anders dan uit het raam kijken. Soms heb ik de neiging om mijn armen van elkaar te halen en het stuur vast te pakken, maar ik houd me in. Ik probeer ervan te genieten, maar dat lukt pas als ik voorbij de grote, lange poetslappen ben.
De auto staat weer buiten. Ik zet een raampje open. Achter me komt de volgende auto al aan. Ik moet schakelen, gas geven, sturen. Ik moet de pijl op de weg volgen.
.