Knollenland

cram006vers01ill0014 .
Wekelijks rijd ik zingend Beuningen binnen. Niet omdat ik zo’n blije kerel ben, maar om voor mijn dochter van twee de tijd in de auto te doden. Ik neem het kinderrepertoire door, waarbij ze bij sommige liedjes steeds het laatste woord van de regel invult. Zo zoef ik over de Van Heemstraweg, met onvaste stem en knijpende ogen vanwege de lage winterzon in de voorruit.
.
Onlangs realiseerde ik me dat er geen droevige liedjes door onze gezinswagen klinken. Er zaten zeven kikkertjes en In een groen knollenland sla ik onbewust over. En dat terwijl er wel regelmatig een hoerenliedje voorbij komt: Altijd is Kortjakje ziek. Een lofzang op sekswerkers, want ‘Kortrokje’ ligt de hele week op bed en vraagt God op zondag om haar zonden te vergeven. Maar dat geheel terzijde.
.
Wat betekent het dat ik die droevige liedjes vermijd? Probeer ik haar de ellendigheden van het leven te besparen? Of heb ik gewoon geen zin om die treurige verhalen te bezingen? Ik weet het niet, waarschijnlijk allebei een beetje. In elk geval heeft het niets met mijn eigen boerenjeugd te maken. Ik werd niet wild enthousiast als er weer een dode haas in de kelder lag – cadeautje van de jager – maar ik heb daar geen trauma aan over gehouden. En de kikkers die ik vroeger bij de sloot vond, sprongen vrolijk rond.
.
Ik heb me voorgenomen om de droeftoeters van de Nederlandstalige kindermuziek niet meer uit de weg te gaan. Omdat het leven nu eenmaal niet alleen hosanna is. De week van een prostituee is ook geen vrolijke boel. En mijn dochter ziet het nog niet vanuit haar zitje, maar we rijden met de auto vaak langs opengereten vogels, poezen of egels.
Pas huilde ze omdat ze koude handjes had. Toen dacht ik: als het daarbij bleef.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Tekening van illustratrice, boekbandontwerpster en schrijfster Rie Cramer (1887-1977). 

.

Moment

winssendeestbankje4.
Het mooiste moment van het afgelopen jaar voor mij was toen ik op een zonnige septemberdag met de auto langs een echtpaar op een bankje reed. Dat klinkt onbenullig en dat is het misschien ook. Het betrof het bankje aan de Van Heemstraweg tussen Winssen en Deest. De man en de vrouw waren op middelbare leeftijd. Ze hadden hun fiets naast het bankje gestald en keken, terwijl ze een boterham aten, naar de drukke weg voor hun neus. Als ik niet in de auto had gezeten, zou ik zeker een foto van ze hebben gemaakt.
.
Het echtpaar had overal kunnen pauzeren van hun fietstocht – er zijn genoeg mooie, stille plekjes in de omgeving – maar ze kozen voor het zicht op de Van Heemstraweg. Het leek alsof ik met mijn auto onderdeel was van een metafoor. Ik had de radio aan, een nieuwszender, en er zal ongetwijfeld iets gezegd zijn over de Amerikaanse verkiezingsstrijd, de Brexit, de aanslagen in de zomer, de oorlog in Syrië, de ouderenzorg of de vluchtelingen. Het echtpaar keek naar al die voorbij razende auto’s met hun radio’s en at rustig door. Ze gaven geen oordeel, ze lieten de situatie op zich inwerken.
.
Begin december sprak ik met mijn vader over de problemen in de veeteelt. Nog zo’n moment. Aan de keukentafel schetste hij voor mij de situatie. Zonder emotie, zonder mening. Natuurlijk had hij wel een mening, maar hij liet toen, op dat moment, alleen zien hoe complex het allemaal in elkaar stak.
.
Dat was ook wat ik in het echtpaar in Winssen zag: ze erkennen de complexiteit der dingen. Ze riepen niet meteen, maar ze keken ook niet weg. Ze namen het in zich op. De redelijkheid stond voorop. En dat is wat ik wens voor het nieuwe jaar. Meer van zulke echtparen op bankjes.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Toren

14691280_1446740772020092_2389027141862446358_o

.
Elke keer als we bezoek krijgen in ons nieuwe, tijdelijke huis, loopt mijn dochter van bijna twee naar het raam en wijst naar buiten.
“Tore’!”
Het uitzicht op de Sint Stevenskerk is het begin van haar rondleiding en tevens het hoogtepunt.
Nimmer had een kerk zo’n prominente plek in mijn leven. Mijn dagelijks leven, wel te verstaan. Als ik wil weten hoe laat het is, hoef ik maar uit het raam te kijken. Of ik luister naar hoe vaak ze de klok luiden.
Bij protestanten herinnert het luiden van de klokken, bij begrafenissen in elk geval, aan de vergankelijkheid van het bestaan. Bij ons herinnert het aan de vergankelijkheid van ons onderkomen. We wisten het van tevoren: na drie maanden moeten we weer vertrekken.
Dankzij mijn dochter ben ik me heel bewust van de kerk. We lopen door de benedenstad en steeds merkt ze eerder dan ik een ander doorkijkje op.
“Tore’!”
Op de Waalkade houd ik haar op de arm. We kijken naar de bootjes die voorbij varen. Ineens steekt ze haar hand uit.
“Tore’!”
Het is de kerk van Lent. Ze draait haar hoofd om en haar hand gebaart naar die andere toren, háár toren, onze toren.
In Beuningen is ze me opnieuw voor. Vanuit de voortuin van mijn ouders is de Corneliuskerk te zien.
“Tore’!”
Jarenlang heb ik vanuit mijn slaapkamer dit uitzicht gehad, maar ik heb nooit echt goed gekeken.
Er zijn momenten dat ze de Sint Stevenskerk kwijt is en hevig naar hem verlangt. Dan hangt er mist voor.
“Tore’ weg?”
Zo went ze alvast een beetje.
Maar ook als ze hem niet kan zien, weet ze dat hij er is. In de Lange Hezelstraat zoekt ze hem niet meer, maar blijft ze wel luisteren.
“Bim, bam, bom,” zingt ze met hem mee.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Overbuurman

tonnie-de-krijger
.
Nooit geweten, maar mijn vroegere overbuurman was de plaatsvervanger van sinterklaas. Ik ontdekte het bij zijn overlijden, begin dit jaar. Tonnie de Krijger bleek de langst actieve hulpsint van Nederland te zijn: 63 jaar achter elkaar zette hij in december een mijter op.
.
Het kon er nog wel bij. Voor mij was De Krijger al een soort lokale Toon Hermans. Hij schreef het Bunnings volkslied en trad met veel succes op. Op een oude foto, geschoten op de bruiloft van mijn ouders, stond hij verkleed als Tango Johnny, een typetje met lange armen. Elke keer als die foto weer tevoorschijn kwam, reageerden mijn ouders enthousiast. Ze vertelden over zijn moppen, dat hij zo goed mensen na kon doen en ook nog eens zeer muzikaal was.
.
De Krijger was de eerste prins carnaval van Beuningen. Toen ik op 10-jarige leeftijd mijn ambitie om jeugdprins te worden kenbaar maakte aan mijn ouders, wezen ze meteen naar de overkant van de straat. Onze overbuurman aan de Van Heemstraweg stond elk jaar met een stuk in het carnavalsblaadje. Hij was de Grootvorst van Eikelenburg. Ik moest hem maar een brief schrijven. Dat heb ik gedaan. “Geachte Grootvorst,” begon ik mijn epistel. Prins werd ik niet, wel lid van de Raad van Elf.
.
Bij zijn overlijden, De Krijger werd 92 jaar, kwam ik een lijst onder ogen van wat hij allemaal had gedaan. Het hield niet op. Hij was niet alleen de eerste prins, hij had de carnavalsvereniging mede opgericht. Ook was hij oprichter van het mannenkoor en van de Beuningse Lentefeesten. Hij zette zich in voor de toneelvereniging, de voetbalclub en ga zo maar door.
.
Het wordt een andere pakjesavond. Ik weet nu wie er vroeger onder die baard schuilging, en ik weet dat het dorp zo’n figuur nooit meer terugkrijgt.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Mislukt

20161008_160124.
De Ewijkse slager Peter Willems zal zich al een tijdje afvragen wanneer dat boek nou eindelijk eens komt, maar ik kan hem zeggen: dat boek komt niet meer. Bijna vier jaar heb ik gewerkt aan een nieuwe roman. Ik schreef zeven versies en bouwde een stapel van drie meter aan aantekeningen. Twee keer gooide ik het verhaal om en begon min of meer opnieuw.
.
Het verhaal draaide grotendeels om een fictieve slagerij in Deest. Details uit Deest die niet fictief zijn en wel in het verhaal zaten: Frits de pony, de dijk, het voetbalveld, de Ganzenkuil, het dorpshuis met de parkeerplaats ervoor. Een detail dat te mooi was voor het verhaal: de grafstenenwinkel aan de Grotestraat.
.
Bij slager Willems liep ik met pen en papier rond in de werkplaats. Ik heb hamburgers verpakt met een sealapparaat, worsten gevlochten en oormerken uit varkensoren gesneden. In de slachterij van zijn zoon zag ik hoe een koe in een karkas transformeerde. Mijn schrift zat onder het bloed.
.
De uitgever had twijfels en die bevestigden mijn eigen twijfels. Bij vlagen was het verhaal goed, maar in z’n geheel niet. Ik ben verdronken in de details, de kern kreeg ik nooit scherp. Dan is het op een bepaald moment klaar. Dat is klote, maar het lucht ook op.
.
Toch blijft het een verhaal dat vier jaar in mijn hoofd heeft gezeten. Ik moet afscheid nemen van Teun, Theo, Margreet, Mannes en Oude Hent. Het zegt niemand iets en het zal niemand ooit iets zeggen.
.
Nadat ik het pand van de uitgever had verlaten, dwaalde ik door Amsterdam en dacht ik melodramatisch dat ik nooit meer zou schrijven. In de trein terug naar huis kwamen de nieuwe ideeën.
.
Nul woorden heb ik nu. Alle opties zijn open.

.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Wasstraat

20161101_122650

.
In de wasstraat raak ik alle controle kwijt. Een man in overall gebaart dat ik naar voren moet rijden. Zodra de wielen op een soort van lopende band staan, mag ik niks meer doen. Op een bord staat vermeld dat ik niet mag sturen, niet mag remmen, geen gas mag geven, de auto niet in een versnelling mag zetten en de ramen dicht moet hebben.
Met horten en stoten komt de auto in beweging, als een karretje van de achtbaan. De man in overall werpt nog snel een blik in de auto om te controleren of ik me aan alle regels hou. Dan volgen de sproeiers, de grote, lange poetslappen en de droger. Ik hou mijn armen over elkaar en laat alles op me af komen. De auto rolt vooruit. Ik kan niet meer naar buiten kijken. Ik richt me op het dashboard, maar dat werkt niet, ik kan niet anders dan uit het raam kijken. Soms heb ik de neiging om mijn armen van elkaar te halen en het stuur vast te pakken, maar ik houd me in. Ik probeer ervan te genieten, maar dat lukt pas als ik voorbij de grote, lange poetslappen ben.
De auto staat weer buiten. Ik zet een raampje open. Achter me komt de volgende auto al aan. Ik moet schakelen, gas geven, sturen. Ik moet de pijl op de weg volgen.
.

Regenhaspel

dsc01530Met mijn dochter van anderhalf liep ik een rondje over de boerderij waar ik ben opgegroeid. Hand in hand gingen we steeds verder het erf op, langs de oude koeienstal, de jongveestal en de graskuil. Vooraan in de wei ontdekten we de regenhaspel. Eenzaam, uit het zicht. Mijn dochter vond hem wel interessant, die reuzenslak, een opgerolde slang van 350 meter met op het eind een sproeiwagen. Hij werkt simpel. Je rolt hem uit met de tractor en dan rolt hij zich in 14 uur automatisch weer op terwijl hij het Beuningse gras nat spuit. Maar aan de spinnenwebben zag ik dat hij al een tijdje niet was gebruikt. Het zegt iets over deze zomer, bedacht ik me, als de regenhaspel niet in actie hoeft te komen.
.
aluminium-beregenings-buizen-50-mm-52014929In de keuken beaamde mijn vader dat hij dit jaar nog niet was gebruikt. Mijn broer voegde eraan toe dat ze hem al een paar jaar niet meer gebruikten. Waar zijn toch de zomers gebleven? Ik weet nog dat we vroeger dagen achtereen zeulden met aluminium buizen. ‘De buizen verleggen’ heette dat. Met mijn broer en zussen was ik daar elke dag wel een paar uur mee bezig. We ontkoppelden de buizen en verplaatsten ze dan een voor een naar de volgende wei. Vervolgens moest het allemaal weer aan elkaar worden gekoppeld. Als beloning zette mijn vader de kraan open en renden we onder de waterstralen van de sproeiers door.
.
Nuance sluipt het verhaal binnen. Was deze zomer wel zo slecht? Gras heeft minder water nodig dan andere gewassen. Bij akkerbouwers stonden de sproeiers de afgelopen maanden wel regelmatig aan. Omdat lange droogte uitbleef en de nachten koel waren, hoefden ze bij ons thuis niet te beregenen.
.
Toch zal ik deze zomer niet herinneren vanwege het mooie weer. De nazomer dan weer wel. En mijn dochter? Die zal zich niets herinneren. Ze is immers anderhalf.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Het oude

Er verandert van alles aan de Van Heemstraweg in Beuningen, getuige de omleidingsborden, graafmachines en bergen zand. Maar toen ik weer over het stuk tussen de rotonde en het gemeentehuis heen mocht rijden, wist ik niet goed wat er veranderd was. Ik herinnerde me niet meer hoe het erbij lag voordat het op de schop ging.
.
Zo gaat het vaker. Het geheugen is een zeef en aan een nieuwe weg hoef je nauwelijks te wennen. Zodra je erop mag, weet je niet beter. Met bebouwing precies hetzelfde. De hoogbouw vooraan de Burgemeester Geradtslaan staat er al een paar jaar, maar wat was daar eerst? Geen idee. Verder terug in de tijd: hoe zag De Balmerd eruit voordat het bebouwd werd en waar precies stond De Beundert, mijn basisschool?
.
Ik vind het jammer dat er zoveel verdwijnt. Het is niet alleen nostalgie, het gaat verder dan dat. Als je het oude bewaard, ben je je meer bewust van je omgeving. Een omgeving die al eeuwen oud is, waar generatie na generatie heeft gewoond en gewerkt. Als je daaraan denkt voel je je nietig op een mooie manier: je bent onderdeel van de geschiedenis. Daarnaast maakt het oude een dorp uniek. Het geeft de plek een identiteit. Wat er nu nieuw wordt gebouwd kan in elke woonplaats staan. Zijn er verschillen tussen de nieuwbouwwijken van Ewijk en Hoofddorp?
.
Je kunt ook overdrijven. Het oude opnieuw zichtbaar laten worden werkt niet. Eten wat al een keer is opgewarmd, moet je niet opnieuw opwarmen. De muurtjes bij het torentje aan de Wilhelminalaan zijn daar een goed voorbeeld van. Ze moeten de contouren aangeven van het kasteel dat daar ooit stond. Het is en blijft nep. In Weurt gaan ze de ruïnes in het Grindgat terugtoveren. Nog treuriger: het plan om de Donjon te herbouwen in het Valkhofpark.
.
Wees zuinig op het bestaande oude. Ploeg de boel om, maar ploeg niet alles om.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Snor

photo
Ik zou de man met de bekendste snor van de regio gaan ontmoeten. Een foto van zijn gezicht, die gemaakt lijkt te zijn in de jaren zeventig of tachtig, prijkt al jaren op menig Te Koop-bord. Als je een eindje gaat fietsen, zie je zijn snor overal opduiken in tuinen en op ramen. Vooral in Nijmegen, maar ook in Beuningen, Wijchen, Overasselt en Mook. Vaak heb ik gedacht als ik langs zo’n bord kwam: hoe zou hij er tegenwoordig uitzien? Zou ik makelaar Rob Disbergen herkennen als ik hem op straat tegenkom?
.
Sinds enkele weken ben ik met mijn vriendin op huizenjacht. Op Funda valt ons oog op een huis dat met behulp van Disbergen te koop staat. Ik regel een bezichtiging. Zou hij de snor nog steeds hebben?
.
Het huis ligt op loopafstand van ons appartement. Ik bel aan en de eigenaar van de woning doet open. De makelaar is er nog niet, zegt hij. Ik begin meteen over de snor van Disbergen. De man lacht. Hij snapt wat ik bedoel, maar hij weet ook niet hoe het ermee staat. Hij heeft Disbergen nog niet in levende lijve gezien.
.
Een auto parkeert voor het huis. Het logo met het gezicht van de makelaar beslaat de hele zijkant van de wagen. De man die uitstapt heet Rob, maar hij is jong en hij heeft geen snor. Hij is een van Disbergens medewerkers.
.
Rob leidt me door het huis, waar ik uiteindelijk niets in zie. Op het einde vraag ik hem naar de snor. Ja, zegt hij, de snor heeft hij nog steeds, die gaat echt niet meer weg.
.
Thuis zoek ik via Google naar afbeeldingen van Disbergen. Ik krijg vooral huizen op mijn scherm. Maar er is één foto, een hele kleine, waarop de makelaar voor de deur van zijn kantoor staat. Het lijkt een recente foto te zijn. De snor zit er overduidelijk, maar zijn gezicht is niet goed te zien. Ik zal hem nog steeds niet herkennen als ik hem tegenkom.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Uitputtend

De tijd dat ze zelf de Nijmeegse Vierdaagse wilde en dacht te kunnen lopen, ligt alweer heel wat jaren achter haar. Mijn gehandicapte zus houdt het bij de plaatselijke avondvierdaagse. Vijf kilometer op een dag, dat is de max. Het neemt echter niet weg dat deze week traditiegetrouw uitputtend voor haar is. Met de woensdag als zwaartepunt. Dan staat ze in Beuningen langs de kant en kijkt ze uit naar haar vader. Een best lastige klus als je oogsterkte -13 hebt.
.
Maar dat is niet het enige. Ze moedigt ook de overige duizenden lopers aan. Ze klapt, roept, deelt kaas en worst uit en verzamelt highfives. Een soldaat geeft haar een sticker, een vrouw op leeftijd bedankt haar uitgebreid voor de aanmoediging. Aan de overkant van de straat schalt Nederlandstalige muziek uit de boxen. Ze schudt met haar heupen en gooit haar handen in de lucht. En dan komt er onvermijdelijk het moment dat ze even van dit alles bij moet komen. Ze staart naar de grond, terwijl de massa voor haar neus onophoudelijk voorbij stroomt. Een loper tikt op haar arm, maar ze zegt: “Nee, nu even niet.”
.
“Waar blijft papa?,” vraagt ze aan mij.
Zo gaat het elke keer. Volgens zijn sms’je zou hij nu al hier moeten zijn, maar het duurt altijd langer. Ik hou het goed in de gaten en dan zie ik in de verte het bekende petje. Mijn zus loopt tegen de keer in langs de stoet en kijkt en kijkt, maar ze ziet hem niet. “Daar,” zeg ik, en ik wijs hem over haar schouder aan. Toch vliegt ze bijna de verkeerde om de hals. Maar dan heeft ze hem eindelijk vast. Ze knuffelt hem en vraagt of hij iets wil eten of drinken.
.
Eenmaal thuis ploft ze zuchtend neer op een stoel en strekt haar benen.
.
Deze column verscheen in de Vierdaagsebijlage van De Gelderlander.