Partij


Ik haalde mijn kinderen op in Beuningen. Bij de koffie vroeg ik aan mijn moeder of ze al wist wat ze ging stemmen.
‘Dat duurt nog even.’
‘Maar weet je het al?’
‘Wat denk je?’
‘Ik denk dat je het wel weet, toch?’
‘Misschien.’
Ze begon over het kersverse achterneefje, de honden die weggelopen waren en de diplomauitreiking van mijn zus. Bij ons thuis praten ze niet snel over politiek. Terwijl ze wel altijd op dezelfde partij stemmen.
Althans, dat vermoed ik.
Mijn gedachten dwaalden af naar Jo Janssen. Op feestjes bazuin ik graag rond dat ik op de lijsttrekker van Gewoon Nijmegen stem en dan hoop ik dat ze vragen waarom.
‘Anders kun je net zo goed meteen je portemonnee in de Waal gooien,’ is mijn antwoord. Een citaat van de volkspoliticus, uitgesproken op zijn manier: met een vet aangezet Nijmeegs accent.
Mijn vader liep over het erf met twee emmers melk voor de kalfjes. Ik vroeg of hij al wist welke partij het ging worden. Hij knikte. Meer kreeg ik er niet uit.
Zelf weet ik nog niet wat ik ga stemmen. Ik ben niet van plan het aan de grote klok te hangen, dat heb ik blijkbaar van thuis meegekregen.
Een dag later reed ik opnieuw vanuit de stad naar mijn ouders. In de wei stond een niet te missen bord van de enige lokale partij van Beuningen.
‘Mooi bord,’ zei ik tegen mijn moeder.
‘Welk bord?’

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Wagen


Hij stond altijd naast onze melkstal. Mijn vader had een afdakje gemaakt waar de kleine, platte kar precies onder paste. Twee keer per jaar werd hij daar onderuit getrokken. In de zomer om te hooien en in het najaar om naar een schuur te worden verplaatst. In die schuur – met een kacheltje, radio en krat bier om hem heen – werd hij aangekleed. Een pop van papier-maché bovenop, borden met tekst aan de zijkant. Op een zaterdag in februari werd de wagen voorzichtig naar buiten gereden. Een tractor trok hem dat weekend twee, soms drie dorpen door. Een week later werd alles gesloopt en kwam hij weer kaal onder het afdak te staan.
.
Eerst gebruikte mijn broer hem. Maar de groep van mijn broer groeide en wilde na een paar jaar een grotere wagen. Wij mochten hem gaan gebruiken. We waren beginnelingen, maar het lukte ons toch een keer de groep van mijn broer voorbij te streven in het klassement. Toen we later verder gingen als loopgroep, gebruikte mijn broer de kleine kar nog twee keer. Enkele jaren geleden zijn onze overbuurjongens een tijdje met hem aan de slag gegaan.
.
Hij heeft veel meegemaakt. Vreugde en teleurstelling over uitslagen, ruzies binnen een groep, overdreven dronken blijdschap, geflirt en geflikflooi – allemaal bij hem in de buurt. Maar hij heeft veel meer meegemaakt, want hij is oud, waarschijnlijk van net na de oorlog. Er liep toen nog een paard voor. Ze haalden meel met hem bij de Boerenbond. Later hebben ze hem wat aangepast zodat er een tractor voor kon. Nu staat hij achter de loods van de overburen. Drie banden zijn lek, de bodem stelt niet veel meer voor. In de verte is muziek te horen. Meer krijgt hij er niet van mee.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Vader

Op een heldere avond loop ik met mijn jongste een rondje door de wijk en wil haar de sterrenhemel laten zien. Ik kijk omhoog, wijs omhoog, maar ze begrijpt het niet. Ze weet dat ze ergens naar moet kijken, maar ze komt niet verder dan de struik naast ons.
.
De jongste is de negen maanden gepasseerd. Ze lacht veel, klapt graag in haar handen en zwaait door knijpbewegingen te maken. Ze heeft een hekel aan autorijden. Als we naar Beuningen rijden, jammert ze de hele weg. Ze kijkt naar buiten, maar herkent niets. Het is elke keer een weg naar het onbekende, waarbij ze niet eens weet hoe lang het nog duurt. Tegen beter weten in legt haar zus het geduldig uit: daar achter dat huis ligt de boerderij van oma en opa.
.
De rit naar Beuningen eindigt altijd hetzelfde. De autoportier zwaait open. Vanuit haar zitje ziet ze opa richting de stal lopen en twee honden kwispelend op haar af komen. Het gejammer gaat over in gelach. Binnen neemt mijn moeder haar op schoot. Daar zit ze goed, daar wil ze niet meer van af. Als ze toch op de grond wordt gezet, jammert ze eerst en als ze merkt dat dit niet helpt, gaat ze spelen. Ondertussen houdt ze goed in de gaten of mijn moeder in de buurt blijft.
.
Er is nog zoveel wat ze niet kan en niet weet, maar het belangrijkste – voor mij althans – weet ze inmiddels. Lang heb ik gedacht dat zij denkt: o, daar is die man toevallig weer, de man die ’s avonds aanschuift bij het eten. Maar aan haar stralende blik zie ik nu dat ze me herkent. Net als prille geliefden zoek ik als vader naar bevestiging. Ik til haar op en ze grijpt naar mijn baard, mijn mond en knijpt in mijn wang.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dorus

Een korrelige zwart-wit plaatje van een moeder en haar twee dochters voor hun woonhuis, geschoten rond 1920. Een klassieke vooroorlogse foto, waar er zovelen van zijn. Maar deze is anders, want helemaal links in de hoek kijkt een klein mannetje met een pet op en de handen in de zakken naar de camera. ‘Gij wilt mij d’r zeker niet op hebben’, schijnt hij gezegd te hebben.
.
Dorus de Mus spreekt tot de verbeelding. Ik kom hem weer tegen als ik door www.oudbeuningen.nl scroll. Elk dorp en elke stad heeft tegenwoordig een online fotoarchief. Dat van Beuningen is een pareltje. Deze foto ken ik al heel lang. Hij staat ook in Beuningen in oude ansichten, een boekje uit 1991 dat inmiddels zelf al geschiedenis is. Veel bijschriften kloppen niet meer, met zinsneden als ‘waar nu de Boerenbond zit’.
.
Dorus van Bergen werd Dorus de Mus genoemd omdat hij zo klein was als een mus. Ik ben nog maar weinig van hem te weten gekomen. Ik vermoed dat hij in 1892 is geboren, maar ik weet het niet zeker. Zijn sterfdatum kan ik niet achterhalen. Hij was ondergebracht bij de zusters in het klooster, maar het is me niet duidelijk of hij daar altijd al woonde, of dat dit pas aan het eind van zijn leven was. Wel vond ik nog een andere foto, waar hij op exact dezelfde manier is vastgelegd. Zeven kinderen poseren netjes op een rij. Links in de hoek wacht de kleine Dorus, inmiddels een oud mannetje, zijn moment af. Grijnzend gaat hij naast de kinderen staan en ‘klik!’.
.
De fotosaboteur, een figuur die 100 jaar later in een totaal andere wereld met een dagelijkse stortvloed aan beelden nog altijd een glimlach oproept. Hopelijk duiken er nog meer foto’s van hem op.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Happy

.
Afgelopen zomer zaten we een weekje in een huis in Zutphen, geregeld via via. We stonden in de voortuin op het moment dat de Googleauto de straat in kwam rijden. Ik dacht op dat moment al: zul je zien dat we straks als een happy family vereeuwigd staan voor een enorm huis. Happy zijn we zeker, en we hebben sinds een paar weken ook een huis, maar dat is wel een onsje minder dan dit exemplaar.

 

Simone de Beauvoirstraat

Laatste nacht in de nieuwbouwwijk gehad. Een jaar wonen in een buurt waar de straten vernoemd zijn naar dode schrijvers geeft een beeld van hoe de literatuur ervoor staat. Onze straat, de Simone de Beauvoirstraat, wordt door de Google-navigatie de Simone de Bovierstraat genoemd. Vaak vinden mensen die voor hun beroep onze straat moeten noteren het een ‘mooie’ of ‘sjieke’ naam. Ik vraag niet of ze weten om wie het gaat, want ik hoef niet de snob uit te hangen, maar dat ze niet verder komen dan ‘sjiek’ of ‘mooi’ zegt genoeg. Een werver van een goed doel vroeg of ik het laatste deel van de straatnaam zelf even op zijn formulier wilde invullen. Een DHL-bezorger verwart de Simone de Beauvoirstraat steevast met de Simon Carmiggeltstraat (onze buurvrouw: wie verzint ook zulke namen?).
Nu hoef ik mezelf niet op de borst te kloppen. Ik heb niets gelezen van Heinrich Böll, Renate Rubinstein, Ananta Toer of Nelly Schachs (laatste twee zelfs nooit van gehoord). Maar ik heb wel mijn huiswerk gedaan. ‘Niemand is onsterfelijk’ van Simone de Beauvoir is echt een aanrader!
Dan was er nog het mooie moment toen een vrachtwagenchauffeur vroeg naar de Karel Glastra van Loonstraat. Ik probeerde gevat te zijn, maar ik kon niets bedenken waar een passievrucht in voorkwam. Het moment had dat eigenlijk ook niet meer nodig.
Tragisch is het beeld van een paaltje waar bovenin het bordje van de Gabriel Garcia Marquezstraat hangt, en ver daaronder, een halve meter boven de grond een bordje met de Hella S. Haassestraat, die de andere kant op wijst en een beetje naar de grond. Ik weet niet wat het zegt, maar daar is vast wel iets van te maken.

Spacey

Zo’n vijftien jaar geleden fietste ik in de winter elke vrijdagavond door de vrieskou naar Weurt. Bij mijn goede vriend Ton stond de verwarming hoog, werd drank en chips op tafel gezet en ging een dvd in de recorder. In het laatste huis van het dorp, waar de ijsbloemen op de ramen stonden, leerde ik om tijd te nemen voor een film. Voor het eerst verdiepte ik me in Hollywood. Dat begon met The Green Mile en American History X. Op een avond stond American Beauty op het programma, met Kevin Spacey in de hoofdrol.
.
American Beauty was lange tijd een van mijn favoriete films. Na die bewuste filmavond fietste ik weer terug naar Beuningen, mijn handen in mijn mouwen gestopt want handschoenen droeg ik nooit. Onderweg dacht ik aan de verhaallijnen, personages, specifieke scenes, details, symbolen, thema’s. En ik dacht aan mijn eigen verhalen, hoe ik die op papier moest zetten.
.
2017 is bijna voorbij en ik kan American Beauty niet meer kijken zonder #MeToo in mijn achterhoofd. Je kunt zeggen dat de kunst die iemand maakt losstaat van iemands privéleven, maar dat is hier niet echt aan de hand. Door zijn acteertalent en het succes dat dit opleverde, kon Spacey buiten de opnames doen wat hij wilde en dat wist hij jarenlang stil te houden.
.
Er is iets kapot gegaan dit jaar. Niet alleen het filmoeuvre van Spacey. Ook de herinnering aan die filmavonden voor mij, toen alle acteurs nog good guys leken. Maar het is goed dat het kapot is gegaan. Ergens zie ik #MeToo ook als opsteker voor de verlegen jongens. Op vrijdag keken Ton en ik film, op zaterdag keken we in het café naar meisjes. Daar lieten we het bij.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Pis

Mijn oudste dochter (bijna 3) probeert regelmatig mijn jongste dochter (8 maanden) te slaan. We doen er alles aan om dat te voorkomen, maar het lukt niet altijd. Toen mijn vriendin een keer net te laat was, sprak ze de oudste boos toe: “In dit huis wordt niet geslagen!”
Haar reactie: “En in het nieuwe huis?”
.
Op De Vuurvlinder in Beuningen leren kleuters lezen met zinnen als ‘ik mep rik’, zo stond vorige week in de krant. Ik hoef niet overal iets van te vinden, maar dit keer ligt het anders. De Vuurvlinder is namelijk voor een kwart mijn basisschool. (Ik zat op De Beundert, die door twee recente fusies samen is gegaan met ’t Schrijverke, De Achtsprong en De Regenboog – drie andere scholen uit mijn tijd).
.
Ik vind dat meppen niet het ergste aan de oefentekst. Ik stoor me vooral aan ‘koe doet poep’. Vanwege ‘doet’. Het argument van de bedenker van de tekst is dat het simpel en herkenbaar moet zijn, maar is zo’n gebrekkige zin nodig? In de tekst staan ook langere zinnen, zoals ‘rik zit bij een boom’. Dat kan blijkbaar wel. Waarom niet gewoon ‘koe legt een vlaai’?
.
Met ‘poep’ en ‘pis’ heb ik geen moeite. Ik heb het daar met mijn dochters constant over. Als ik ze ’s ochtends naar beneden breng, begin ik vaak over ‘ouwe pis’, want daar zitten hun luiers dan vol mee. Pis van de hele nacht. De oudste mag me bij het verschonen aanvullen.
Dan zeg ik: “Kijk, hier hebben we ouwe…”
En zij: “…pis”.
Er komt vast een dag dat ik dit terugkrijg van een juf en ik het vol schaamte zal moeten weglachen. Maar tot die tijd gun ik mezelf dit pleziertje, als goedmakertje voor al het werk dat in die kinderen gaat zitten.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
Noot: ‘Pis’ staat in een andere oefentekst voor kleuters.

 

Familiedag


Op een natte, winderige zondag keert mijn familie terug naar haar oorsprong. Met auto’s, bussen en treinen komen ze van heinde en verre: Friesland, Rotterdam, Stompetoren, Luxemburg en ga zo maar door. 52 personen en een hond, bijna compleet.
.
Vanaf onze boerderij rijden we in huifkarren naar het ouderlijk huis, een herenboerderij midden in het dorp die 50 jaar in bezit was van de familie. Een tussenstop, want eigenlijk zijn we op weg naar de uiterwaarden voor een wandeling.
.
Bij de herenboerderij, waar nu een financieel adviseur kantoor houdt, is alles dicht. Aan de voorzijde zit spinrag op de deuren en kozijnen. “Moeder zou zich omdraaien in haar graf,” zegt mijn tante. Ze herinnert zich het laatste bezoek aan de boerderij, waar ik ook bij was. We woonden er toen net een paar jaar niet meer. De nieuwe eigenaar gaf een rondleiding. Daarbij viel op dat de vloer van de lange, majestueuze gang was gezandstraald. Mijn tante weet het nog goed. “Moeder vroeg aan hem: ‘Weet je hoe je die tegels mooi glimmend zwart houdt?’ Zo was moeder, die wilde helpen, die ging er oprecht vanuit dat het zo niet bedoeld was.”
.
Ook dit keer valt de terugkeer een beetje tegen. De boerderij is veranderd in een ietwat onpersoonlijk bedrijfspand. We lopen terug naar de huifkarren. “Kijk,” zegt mijn vader, de enige van de familie die zijn hele leven in Beuningen is gebleven, “hier is de foto gemaakt van Willem, toen hij met die poes bij dat bakje melk zat.” Het is een laatste greep naar een herinnering, om de plek weer kleur te geven. Maar zijn broers en zussen weten niet waar hij het over heeft. Zij waren op het moment van dat bakje melk al uit Beuningen vertrokken.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.
Noot: Het doorzoeken van het familiearchief leverde vooralsnog niet de juiste foto op. Het kan ook zijn dat de herinnering aan de foto en de foto zelf niet helemaal op elkaar aansluiten. Dat zou betekenen dat er misschien nooit sprake is geweest van een bakje melk. 

Geluid


De stoelen in de zaal, de lampjes op de lessenaars, het rode gordijn achter het orkest, het programmaboekje, de blauwe consumptiemunten. Veel is hetzelfde gebleven sinds ik 9 jaar geleden voor het laatst aanwezig was bij een optreden van Kunst en Volharding. Toen blies ik mee, nu zit ik in het publiek.
.
De fanfare speelt een try-outconcert in het dorpshuis. Volgende week gaan ze op concours in Zutphen. Ik denk aan 2003, het concours in Enschede. Een uiterst intensieve voorbereiding leidde tot promotie naar de hoogste divisie. Voor veel muzikanten vergde dat teveel. Sindsdien is de club niet meer op concours geweest. Dit keer gaat het anders. Zonder extra voorbereidingen speelt het orkest in de introductiedivisie. Er volgt geen beoordeling met cijfers, maar een advies in welke divisie de vereniging start bij een volgend concours.
.
Ik zag eens een documentaire over het Concertgebouworkest, waarin een dirigent zei dat hij dit orkest blindelings zou herkennen tussen tal van internationale toporkesten. Ook als het een geluidsopname van 30 jaar geleden betrof, met een andere dirigent en andere muzikanten. Ik kon me daar niets bij voorstellen. Mooie praat, dacht ik. Maar nu ik mijn fanfare hoor spelen, herken ik het geluid. Het raakt me. Het is het kopergeluid dat me jarenlang heeft omringd. Ook al zijn er nieuwe gezichten, is er een nieuwe dirigent, en is de groep iets kleiner. Dit kan alleen Kunst en Volharding zijn.
.
Naderhand bespreek ik het optreden met de muzikanten. Ik zeg dat ik het geheel goed vond. Compact, evenwichtig. En dan besef ik dat dit altijd al de kracht was van deze fanfare: de klankkleur van het geheel. Wat wil je als orkest nog meer.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.