Overbuurman

tonnie-de-krijger
.
Nooit geweten, maar mijn vroegere overbuurman was de plaatsvervanger van sinterklaas. Ik ontdekte het bij zijn overlijden, begin dit jaar. Tonnie de Krijger bleek de langst actieve hulpsint van Nederland te zijn: 63 jaar achter elkaar zette hij in december een mijter op.
.
Het kon er nog wel bij. Voor mij was De Krijger al een soort lokale Toon Hermans. Hij schreef het Bunnings volkslied en trad met veel succes op. Op een oude foto, geschoten op de bruiloft van mijn ouders, stond hij verkleed als Tango Johnny, een typetje met lange armen. Elke keer als die foto weer tevoorschijn kwam, reageerden mijn ouders enthousiast. Ze vertelden over zijn moppen, dat hij zo goed mensen na kon doen en ook nog eens zeer muzikaal was.
.
De Krijger was de eerste prins carnaval van Beuningen. Toen ik op 10-jarige leeftijd mijn ambitie om jeugdprins te worden kenbaar maakte aan mijn ouders, wezen ze meteen naar de overkant van de straat. Onze overbuurman aan de Van Heemstraweg stond elk jaar met een stuk in het carnavalsblaadje. Hij was de Grootvorst van Eikelenburg. Ik moest hem maar een brief schrijven. Dat heb ik gedaan. “Geachte Grootvorst,” begon ik mijn epistel. Prins werd ik niet, wel lid van de Raad van Elf.
.
Bij zijn overlijden, De Krijger werd 92 jaar, kwam ik een lijst onder ogen van wat hij allemaal had gedaan. Het hield niet op. Hij was niet alleen de eerste prins, hij had de carnavalsvereniging mede opgericht. Ook was hij oprichter van het mannenkoor en van de Beuningse Lentefeesten. Hij zette zich in voor de toneelvereniging, de voetbalclub en ga zo maar door.
.
Het wordt een andere pakjesavond. Ik weet nu wie er vroeger onder die baard schuilging, en ik weet dat het dorp zo’n figuur nooit meer terugkrijgt.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Mislukt

20161008_160124.
De Ewijkse slager Peter Willems zal zich al een tijdje afvragen wanneer dat boek nou eindelijk eens komt, maar ik kan hem zeggen: dat boek komt niet meer. Bijna vier jaar heb ik gewerkt aan een nieuwe roman. Ik schreef zeven versies en bouwde een stapel van drie meter aan aantekeningen. Twee keer gooide ik het verhaal om en begon min of meer opnieuw.
.
Het verhaal draaide grotendeels om een fictieve slagerij in Deest. Details uit Deest die niet fictief zijn en wel in het verhaal zaten: Frits de pony, de dijk, het voetbalveld, de Ganzenkuil, het dorpshuis met de parkeerplaats ervoor. Een detail dat te mooi was voor het verhaal: de grafstenenwinkel aan de Grotestraat.
.
Bij slager Willems liep ik met pen en papier rond in de werkplaats. Ik heb hamburgers verpakt met een sealapparaat, worsten gevlochten en oormerken uit varkensoren gesneden. In de slachterij van zijn zoon zag ik hoe een koe in een karkas transformeerde. Mijn schrift zat onder het bloed.
.
De uitgever had twijfels en die bevestigden mijn eigen twijfels. Bij vlagen was het verhaal goed, maar in z’n geheel niet. Ik ben verdronken in de details, de kern kreeg ik nooit scherp. Dan is het op een bepaald moment klaar. Dat is klote, maar het lucht ook op.
.
Toch blijft het een verhaal dat vier jaar in mijn hoofd heeft gezeten. Ik moet afscheid nemen van Teun, Theo, Margreet, Mannes en Oude Hent. Het zegt niemand iets en het zal niemand ooit iets zeggen.
.
Nadat ik het pand van de uitgever had verlaten, dwaalde ik door Amsterdam en dacht ik melodramatisch dat ik nooit meer zou schrijven. In de trein terug naar huis kwamen de nieuwe ideeën.
.
Nul woorden heb ik nu. Alle opties zijn open.

.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Wasstraat

20161101_122650

.
In de wasstraat raak ik alle controle kwijt. Een man in overall gebaart dat ik naar voren moet rijden. Zodra de wielen op een soort van lopende band staan, mag ik niks meer doen. Op een bord staat vermeld dat ik niet mag sturen, niet mag remmen, geen gas mag geven, de auto niet in een versnelling mag zetten en de ramen dicht moet hebben.
Met horten en stoten komt de auto in beweging, als een karretje van de achtbaan. De man in overall werpt nog snel een blik in de auto om te controleren of ik me aan alle regels hou. Dan volgen de sproeiers, de grote, lange poetslappen en de droger. Ik hou mijn armen over elkaar en laat alles op me af komen. De auto rolt vooruit. Ik kan niet meer naar buiten kijken. Ik richt me op het dashboard, maar dat werkt niet, ik kan niet anders dan uit het raam kijken. Soms heb ik de neiging om mijn armen van elkaar te halen en het stuur vast te pakken, maar ik houd me in. Ik probeer ervan te genieten, maar dat lukt pas als ik voorbij de grote, lange poetslappen ben.
De auto staat weer buiten. Ik zet een raampje open. Achter me komt de volgende auto al aan. Ik moet schakelen, gas geven, sturen. Ik moet de pijl op de weg volgen.
.

Regenhaspel

dsc01530Met mijn dochter van anderhalf liep ik een rondje over de boerderij waar ik ben opgegroeid. Hand in hand gingen we steeds verder het erf op, langs de oude koeienstal, de jongveestal en de graskuil. Vooraan in de wei ontdekten we de regenhaspel. Eenzaam, uit het zicht. Mijn dochter vond hem wel interessant, die reuzenslak, een opgerolde slang van 350 meter met op het eind een sproeiwagen. Hij werkt simpel. Je rolt hem uit met de tractor en dan rolt hij zich in 14 uur automatisch weer op terwijl hij het Beuningse gras nat spuit. Maar aan de spinnenwebben zag ik dat hij al een tijdje niet was gebruikt. Het zegt iets over deze zomer, bedacht ik me, als de regenhaspel niet in actie hoeft te komen.
.
aluminium-beregenings-buizen-50-mm-52014929In de keuken beaamde mijn vader dat hij dit jaar nog niet was gebruikt. Mijn broer voegde eraan toe dat ze hem al een paar jaar niet meer gebruikten. Waar zijn toch de zomers gebleven? Ik weet nog dat we vroeger dagen achtereen zeulden met aluminium buizen. ‘De buizen verleggen’ heette dat. Met mijn broer en zussen was ik daar elke dag wel een paar uur mee bezig. We ontkoppelden de buizen en verplaatsten ze dan een voor een naar de volgende wei. Vervolgens moest het allemaal weer aan elkaar worden gekoppeld. Als beloning zette mijn vader de kraan open en renden we onder de waterstralen van de sproeiers door.
.
Nuance sluipt het verhaal binnen. Was deze zomer wel zo slecht? Gras heeft minder water nodig dan andere gewassen. Bij akkerbouwers stonden de sproeiers de afgelopen maanden wel regelmatig aan. Omdat lange droogte uitbleef en de nachten koel waren, hoefden ze bij ons thuis niet te beregenen.
.
Toch zal ik deze zomer niet herinneren vanwege het mooie weer. De nazomer dan weer wel. En mijn dochter? Die zal zich niets herinneren. Ze is immers anderhalf.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Het oude

Er verandert van alles aan de Van Heemstraweg in Beuningen, getuige de omleidingsborden, graafmachines en bergen zand. Maar toen ik weer over het stuk tussen de rotonde en het gemeentehuis heen mocht rijden, wist ik niet goed wat er veranderd was. Ik herinnerde me niet meer hoe het erbij lag voordat het op de schop ging.
.
Zo gaat het vaker. Het geheugen is een zeef en aan een nieuwe weg hoef je nauwelijks te wennen. Zodra je erop mag, weet je niet beter. Met bebouwing precies hetzelfde. De hoogbouw vooraan de Burgemeester Geradtslaan staat er al een paar jaar, maar wat was daar eerst? Geen idee. Verder terug in de tijd: hoe zag De Balmerd eruit voordat het bebouwd werd en waar precies stond De Beundert, mijn basisschool?
.
Ik vind het jammer dat er zoveel verdwijnt. Het is niet alleen nostalgie, het gaat verder dan dat. Als je het oude bewaard, ben je je meer bewust van je omgeving. Een omgeving die al eeuwen oud is, waar generatie na generatie heeft gewoond en gewerkt. Als je daaraan denkt voel je je nietig op een mooie manier: je bent onderdeel van de geschiedenis. Daarnaast maakt het oude een dorp uniek. Het geeft de plek een identiteit. Wat er nu nieuw wordt gebouwd kan in elke woonplaats staan. Zijn er verschillen tussen de nieuwbouwwijken van Ewijk en Hoofddorp?
.
Je kunt ook overdrijven. Het oude opnieuw zichtbaar laten worden werkt niet. Eten wat al een keer is opgewarmd, moet je niet opnieuw opwarmen. De muurtjes bij het torentje aan de Wilhelminalaan zijn daar een goed voorbeeld van. Ze moeten de contouren aangeven van het kasteel dat daar ooit stond. Het is en blijft nep. In Weurt gaan ze de ruïnes in het Grindgat terugtoveren. Nog treuriger: het plan om de Donjon te herbouwen in het Valkhofpark.
.
Wees zuinig op het bestaande oude. Ploeg de boel om, maar ploeg niet alles om.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Snor

photo
Ik zou de man met de bekendste snor van de regio gaan ontmoeten. Een foto van zijn gezicht, die gemaakt lijkt te zijn in de jaren zeventig of tachtig, prijkt al jaren op menig Te Koop-bord. Als je een eindje gaat fietsen, zie je zijn snor overal opduiken in tuinen en op ramen. Vooral in Nijmegen, maar ook in Beuningen, Wijchen, Overasselt en Mook. Vaak heb ik gedacht als ik langs zo’n bord kwam: hoe zou hij er tegenwoordig uitzien? Zou ik makelaar Rob Disbergen herkennen als ik hem op straat tegenkom?
.
Sinds enkele weken ben ik met mijn vriendin op huizenjacht. Op Funda valt ons oog op een huis dat met behulp van Disbergen te koop staat. Ik regel een bezichtiging. Zou hij de snor nog steeds hebben?
.
Het huis ligt op loopafstand van ons appartement. Ik bel aan en de eigenaar van de woning doet open. De makelaar is er nog niet, zegt hij. Ik begin meteen over de snor van Disbergen. De man lacht. Hij snapt wat ik bedoel, maar hij weet ook niet hoe het ermee staat. Hij heeft Disbergen nog niet in levende lijve gezien.
.
Een auto parkeert voor het huis. Het logo met het gezicht van de makelaar beslaat de hele zijkant van de wagen. De man die uitstapt heet Rob, maar hij is jong en hij heeft geen snor. Hij is een van Disbergens medewerkers.
.
Rob leidt me door het huis, waar ik uiteindelijk niets in zie. Op het einde vraag ik hem naar de snor. Ja, zegt hij, de snor heeft hij nog steeds, die gaat echt niet meer weg.
.
Thuis zoek ik via Google naar afbeeldingen van Disbergen. Ik krijg vooral huizen op mijn scherm. Maar er is één foto, een hele kleine, waarop de makelaar voor de deur van zijn kantoor staat. Het lijkt een recente foto te zijn. De snor zit er overduidelijk, maar zijn gezicht is niet goed te zien. Ik zal hem nog steeds niet herkennen als ik hem tegenkom.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Uitputtend

De tijd dat ze zelf de Nijmeegse Vierdaagse wilde en dacht te kunnen lopen, ligt alweer heel wat jaren achter haar. Mijn gehandicapte zus houdt het bij de plaatselijke avondvierdaagse. Vijf kilometer op een dag, dat is de max. Het neemt echter niet weg dat deze week traditiegetrouw uitputtend voor haar is. Met de woensdag als zwaartepunt. Dan staat ze in Beuningen langs de kant en kijkt ze uit naar haar vader. Een best lastige klus als je oogsterkte -13 hebt.
.
Maar dat is niet het enige. Ze moedigt ook de overige duizenden lopers aan. Ze klapt, roept, deelt kaas en worst uit en verzamelt highfives. Een soldaat geeft haar een sticker, een vrouw op leeftijd bedankt haar uitgebreid voor de aanmoediging. Aan de overkant van de straat schalt Nederlandstalige muziek uit de boxen. Ze schudt met haar heupen en gooit haar handen in de lucht. En dan komt er onvermijdelijk het moment dat ze even van dit alles bij moet komen. Ze staart naar de grond, terwijl de massa voor haar neus onophoudelijk voorbij stroomt. Een loper tikt op haar arm, maar ze zegt: “Nee, nu even niet.”
.
“Waar blijft papa?,” vraagt ze aan mij.
Zo gaat het elke keer. Volgens zijn sms’je zou hij nu al hier moeten zijn, maar het duurt altijd langer. Ik hou het goed in de gaten en dan zie ik in de verte het bekende petje. Mijn zus loopt tegen de keer in langs de stoet en kijkt en kijkt, maar ze ziet hem niet. “Daar,” zeg ik, en ik wijs hem over haar schouder aan. Toch vliegt ze bijna de verkeerde om de hals. Maar dan heeft ze hem eindelijk vast. Ze knuffelt hem en vraagt of hij iets wil eten of drinken.
.
Eenmaal thuis ploft ze zuchtend neer op een stoel en strekt haar benen.
.
Deze column verscheen in de Vierdaagsebijlage van De Gelderlander.

Eiland

Vrijdag 24 juni 2016, even na elven. Polly Jean Harvey (47 jaar oud, opgegroeid in een dorpje met 465 inwoners, negen albums op haar naam) staat op het podium bij het kalme water van De Groene Heuvels. In haar ene hand heeft ze een stuk papier, in haar andere hand een microfoon.
.
PJ Harvey heeft een lange reis achter de rug. Ze is ’s ochtends wakker geworden in een land dat niet meer bij Europa wil horen. Vervolgens is ze met haar negen bandleden de zee overgestoken, naar Europa.
.
‘Today is a strange day,’ zegt ze op Ewijkse bodem, waarna ze een gedicht van John Donne uit 1624 voordraagt. ‘No man is an island of itself / every man is a peace of the continent, a part of the main.’
.
Op de website van deze krant reageert ene ‘Yuri’ op haar actie. Hij vraagt zich af waarom een zangeres nu zo nodig haar mening moet verkondigen. Maar gaat het hier wel om een mening? Het is eerder een constatering, een relativerende constatering. Je kunt je wel proberen af te sluiten van de wereld, maar je blijft altijd onderdeel van de wereld. Dat is wat het gedicht volgens mij wil zeggen.
.
De actie van Harvey komt niet uit het niets. De nummers die ze de laatste jaren schrijft, gaan over wat er speelt in de wereld. Dat is wat ze wil vertellen. Voor haar nieuwste album trok ze als een soort oorlogsverslaggever naar Afghanistan, Kosovo en Washington DC.
.
De Groene Heuvels is op deze 24 juni een eiland. Je komt er niet zomaar, ook niet als je dichtbij woont. Je moet de auto op een andere plek parkeren en dan nog een lange tocht door de modder. Maar uiteindelijk hoor je de zangeres met het gedicht. Bewuster dan ooit is Ewijk onderdeel van de wereld.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
Een filmpje van de voordracht van PJ Harvey vind je hier.
.

Selfmade man

Ik was gebeld door een nummer dat ik heel goed kende, maar dat al zeker twee jaar niet meer op mijn telefoonscherm had gestaan. Het was een Weurts nummer en ik wist van wie. Nog voordat ik terugbelde, viel het kwartje waarom ik door dit nummer was gebeld. Mijn goede vriend Ton Smits was weer in het land.
.
Ton is een bijzonder geval. Zonder een opleiding af te ronden maakte hij een wereldreis en belandde uiteindelijk in Thailand, waar een mooi meisje hem aansprak tijdens een busrit. Inmiddels zijn we een aantal jaren verder en heeft Ton samen met dat meisje een bloeiend bedrijf opgebouwd. Hij verzorgt rondleidingen in drie Nationale Parken in Thailand. Dat doet hij inmiddels niet meer alleen. Zeven freelancers werken voor hem.
.
Een selfmade man dus, maar niet een zoals je zou verwachten. Geen rauwdouwer, geen bluffer met een vlotte babbel. Ton is een slimme, bedachtzame, ijverige jongen met hart voor de zaak. Die zaak bestaat voor hem uit twee afdelingen: de klanten en de natuur. Als hij vloekt, dan vloekt hij op stropers.
.
De afgelopen weken verbleef Ton met zijn vriendin bij zijn ouders. Ik ging daar een keer op bezoek. We kletsten en dronken wat, en op een gegeven moment hadden we het over kinderen die uiteindelijk het huis uit gaan. Tons vader wees op de situatie van zijn zoon en zei met een glimlach dat hij het niet makkelijk vond. Quasi-verongelijkt zei hij tegen Tons vriendin: ‘Door jou zit hij nu daar.’ Waarop zij grinnikend terugwierp: ‘Nee, door hem zit ik nog daar! Ik zou wel hier willen wonen.’
Het was grappig, maar ook ontroerend. Een vader die zijn zoon mist. Ton zat erbij en knikte.
.
Volgend jaar gaat de familie naar Thailand, dat jaar erna komt Ton weer naar Weurt.
Dan verwacht ik een telefoontje.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kapotte broeken

Ik was in een kledingzaak en daar lagen allemaal broeken met scheuren erin, kapotte broeken. Ik vroeg aan het meisje achter de kassa wie dat had gedaan.
Wie wat heeft gedaan? vroeg ze.
Wie die broeken kapot heeft gemaakt.
Dat was al.
Maar die gooi je dan toch weg?
Nee, dat hoort zo. Die verkopen we.
Die verkopen jullie? Tegen korting zeker?
Nee, de normale prijs.
En mensen kopen dat?
Mensen kopen dat, ja.
Mensen kopen dus kapotte broeken.
Ja.