Achterbuurjongen

In rode jurken, met de ogen gesloten, allemaal wild schuddend op de maat van de nerveus klinkende muziek die tot in de wijde omtrek te horen was. Maar omdat er binnen een straal van een paar honderd meter toch geen andere huizen stonden, had niemand er last van. 

Dit schrijft Samuel Vermeulen in zijn net verschenen boek Prins van Liefde. Hij heeft gelijk, wat ons betreft. Wij hebben de Bhagwan-volgelingen, die in de jaren ’80 en ’90 in Villa Nieuw Distelakker woonden, nooit gehoord. Mijn vader heeft zich zelfs afgevraagd of ze er wel echt zaten. Het verhaal dat achter onze boerderij een commune zat, heeft me altijd gefascineerd. Tegelijkertijd was ik doodsbang voor wat zich daar achter de deur afspeelde. Het boek van mijn vroegere achterbuurjongen geeft me eindelijk een inkijkje. 

Vermeulen, die in zijn jeugd behalve in Beuningen ook op andere plekken woonde, vertelt over de overal aanwezige wierrooklucht en over de bewoners die elkaar steeds knuffelden. Net als de Netflix-serie Wild Wild Country is het boek geen reclame voor de spirituele beweging die vrije liefde en meditatie hoog in het vaandel heeft staan. Vermeulen werd verwaarloosd, getuige de rotte tandjes op zijn 6e. Maar de vraag is of dat aan de commune lag. Eerder zijn ouders. Zijn vader raakte later in de ban van drugs en prostitutie, zijn moeder kwam in een psychiatrische inrichting terecht. Dat gebeurde natuurlijk niet zomaar. Ook zij zullen geen fijne jeugd hebben gehad. Bij de Bhagwan zochten ze naar een familiegevoel dat ze zelf hadden gemist.

Na jaren in een pleeggezin ging Vermeulen een totaal andere kant op: brallend bij een studentendispuut, studerend aan Cambridge en werkend op de Zuidas. Boeiend is om in interviews te lezen dat hij uiteindelijk afreist naar India, het hart van de Bhagwan, en tegenwoordig mediteert. Zo zijn we toch allemaal kind van onze ouders. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Eerder schreef ik al een stuk over de commune in de villa en mijn angst om gehersenspoeld te worden, zie
hier.
Meer informatie over het boek vind je
hier.

Radicaal

Onlangs kocht ik een tas vol tweedehands Playmobilpoppetjes en maakte mijn kinderen daar dolblij mee. Maar toen ze op bed lagen, zag ik tussen de vele witte gezichtjes een Zwarte Piet. Ik viste hem eruit en probeerde hem met een schaar van zijn gouden oorbellen en witte kraag te ontdoen. Dat was niet makkelijk. De oorbellen bleven hardnekkig zitten. 

Over twee weken komt de Sint aan in Nederland en ik vraag me af hoe de intochten in deze regio eruit gaan zien. Huppelen er straks roetveegpieten over het Julianaplein in Beuningen? Of zijn we hier nog niet zo ver? Landelijk is de verdeling voor- en tegenstanders fiftyfifty, maar hoe zit dat hier? Ben ik normaal of ben ik radicaal?
 
Ik was niet meteen overtuigd, maar inmiddels kan ik niet meer naar de geschminkte gezichten kijken alsof er niks aan de hand is. Ik kan niet naar ze kijken zonder de context in mijn hoofd, het grotere plaatje waar Zwarte Piet onderdeel van is. 

Pro- en anti-Pieters praten vaak langs elkaar heen, omdat ze racisme anders interpreteren. De voorstanders zien racisme als een individuele afkeer van ‘buitenlanders’ en vinden dat ze niets racistisch bedoelen met Zwarte Piet. Tegenstanders beschouwen racisme als een systeem van onderdrukking, een optelsom van vooroordelen en macht. Het gaat dan niet om expliciete bedoelingen, maar om gedragingen in de samenleving die op het oog zo gewoon en klein lijken dat we ze moeilijk herkennen. 

Zwarte Piet heeft in Beuningen geen Surinaams accent meer, zoals in mijn jeugd. Dat is misschien al iets. Met de echte verandering, enkel nog roetveegpieten op het Julianaplein, zal ik blij zijn. Toch is het pas een overwinning als iedereen inziet waar het werkelijk om gaat, dat grotere plaatje.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

– Op de site van het Meertens Instituut staat een overzichtelijke en evenwichtige tekst over het fenomeen Zwarte Piet,
zie hier >>

– Op De Correspondent is een goed stuk te vinden over de context van Zwarte Piet vanuit het tegenstandersperspectief,
zie hier >>

– Een korte tekst over de drogredenen die voor- en tegenstanders gebruiken, lees je hier >>

– En anders is het altijd de moeite om te kijken en luisteren naar
Beyoncé en Jay-Z >>

Ontbijt

Donderdagochtend verscheen een foto van mijn broer op de NOS-site. Hij was in Den Haag en bakte een ei. ’s Avonds kwam hij met zijn ronde bakplaat, waar ik zelf vaak van heb gegeten, heel kort voorbij in het Jeugdjournaal. Hij begint grijs te worden, viel me op. En hij moet hoognodig naar de kapper. 

De laatste weken denk ik vaak aan de veelbesproken film Jokeren dan vooral aan de oproer van de menigte in Gotham City. De film komt precies op het juiste moment. Het geeft naar mijn idee heel goed de spanning in de wereld weer. Er sluimert veel onvrede, ook in Nederland, en dat zal een keer tot uitbarsting komen. In Joker zie je het ontvlammen en ergens hoop ik dat het in het werkelijke leven eveneens tot een confrontatie komt, om er maar vanaf te zijn. 



Twee groepen staan lijnrecht tegenover elkaar. In onze hoofden in elk geval. Stad versus platteland, progressief versus conservatief, klimaatactivisten versus boeren, links versus rechts. Alles gaat in tweeën, want de mens houdt van versimpelen. Maar het helpt ons geen steek verder. Online lees ik soms berichten die beginnen met ‘Het moet niet gekker worden in dit land…’. Mijn nekharen gaan dan recht overeind staan. Het wordt niet gekker. Neem eens een keer de moeite, probeer de motieven van je ‘tegenstander’ te begrijpen voordat je schreeuwt. 

Een gezamenlijk ontbijt is wat we nodig hebben. Een confrontatie zonder geweld, door het gesprek aan te gaan. Dan hoef je het niet met elkaar eens te worden, maar dan heb je in elk geval geluisterd en elkaar in de ogen gekeken. Ik voel me nu net een prekende pastoor, maar aangezien de pastoors verdwijnen is dat misschien niet zo vreemd. Beter dan de Joker. Ik zeg: vaker samen eten.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Tractor


Niets is mooier dan met een tractor de weg op te gaan en een file te veroorzaken. Toen ik vroeger op het zijbankje naast mijn vader zat, keek ik constant achterom en zag ik hoe de ene na de andere auto bijna tot stilstand kwam. Het gaf een machtig gevoel. De aandacht die we met onze groene Fendt genereerden was spannend, maar toch genoot ik vooral. We waren speciaal, we waren anders, we waren boeren. De rit over het asfalt had voor mij ook altijd iets weg van een protest. Een protest tegen het jachtige, verstedelijkte leven.   

Dinsdag was de dag van de tractor. Mijn broer ging met een bus vol collega’s naar Den Haag. Dat moet een mooi gezicht zijn geweest, maar het was de tractor die glorieerde. Niemand kon om die grote landbouwmonsters heen, letterlijk en figuurlijk. Ze werden gezien.

Ik heb altijd gedacht dat we gezien werden als ik hoog boven de weg op dat zijbankje zat. Maar nu ik zelf soms met mijn auto achter een tractor zit, merk ik dat ik vooral bezig ben met inhalen. Als ik de tractor gepasseerd ben, vergeet ik ’m al snel. Ik vraag me af hoe lang de tractors van dinsdag gezien zullen worden. 

Onlangs zat ik met mijn broer in zijn auto. Alles leek vrolijk en onbezorgd, maar zo voelde het voor mij niet. We luisterden naar Rowwen Hèze, muziek uit mijn tienerjaren, en zongen af en toe mee. Ondertussen dacht ik aan de grote veranderingen die eraan zitten te komen, aan de vele problemen in de sector en aan hoe de boer telkens weer als speelbal wordt gebruikt door de overheid en andere belanghebbende partijen. Het zingen werd een soort van bidden. Het zijn spannende tijden. Maar niet alleen voor de boeren. Veranderingen zijn onontkoombaar. Niemand blijft gespaard.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Ik heb aardig wat gelezen en geluisterd over het boerenprotest en de achtergronden daarvan. De boeiendste bijdrage vond ik een aflevering van de NOS-podcast De Dag, waarin twee Trouw-journalisten vertellen over hun onderzoek naar wat er broeit in de agrarische sector. Je luistert die aflevering hier >> .

Kringen


Al een tijdje probeer ik mijn jongste dochter voor het slapen rustig te krijgen door het noemen van mensen die ze kent. Het is een ritueel dat inmiddels al niet meer werkt, maar waarvan ze eist dat ik ’m blijf uitvoeren.

Het is boeiend om bij die opsomming te merken hoe klein haar kring van bekenden nog is. Eigenlijk zijn het meerdere kringen, gelet op locatie. Een kring in Nijmegen, Beuningen, Breda, Gennep en Druten. Maar dus wel allemaal heel kleine kringetjes. 

Hoe het ritueel voor mijn dochter over 20 jaar zal zijn, laat Lisa Huissoon zien. Haar afstudeerwerk voor de opleiding Creative Writing
(ArtEZ) heet Alle mensen die ik ken. Dat is ook precies wat het is, een boek met daarin een lijst van alle mensen die ze kent. Van haar oma tot een man van wie ze iets gekocht heeft op Marktplaats. In de lijst noteert ze: voornaam, relatie tot de persoon, plek en plaatsnaam. Lisa’s kringen zijn het grootst in Houten en Arnhem, maar er zijn ook kringetjes in Hilvarenbeek, Maastricht en Belgrado.    

Wat het boek zo goed maakt, is dat ze het consequent heeft doorgevoerd. Ze heeft zelfs mensen opgenomen van wie ze de voornaam niet weet, zoals een voorbijganger in een park, een receptioniste en een moeder van een vriendin. Mooi zijn de anekdotes die bij sommige personen staan: ‘Op haar sterfbed at Siny een broodje kroket’. En: ‘Hij brak het hart van Kirsten maar liefst zeven keer’. Zowel de mensen als de anekdotes geven een beeld van Lisa.

Toen ik onlangs niet in slaap kon vallen, ben ik ook maar eens bekenden gaan opsommen. Te beginnen bij mijn kringen in Nijmegen en Beuningen. De lijst hield maar niet op en daardoor ontspande ik niet. Toch kan ik het aanraden, het is de moeite waard.  


Deze column verscheen in De Gelderlander.
Met Alle mensen die ik ken won Lisa Huissoon de Nieuwe Types Afstudeerprijs 2019 voor het beste afstudeerproject van een Nederlandse of Vlaamse schrijfopleiding. Het boek is onder meer verkrijgbaar bij Perdu, zie hier.

Plakband

Het valt me meteen op als ik bij mijn ouders binnenkom. Op drie plekken op de keukenvloer zit een stuk schilderstape. Dat moeten die kinderen van mij hebben gedaan. Mijn eerste neiging is om het plakband van de tegels af te pulken. Ik zak al door de knieën, maar mijn moeder houdt me tegen. Zij heeft het gedaan, ze wil het zo. 

“Maar waarom dan?” 
Ze spreidt haar armen tussen het aanrecht en het plakband, doet een stap vooruit en achteruit. Als een danseres. 
“Dan weet ik hoeveel ruimte ik in het nieuwe huis heb.”

Er wordt momenteel hard gewerkt aan het nieuwe huis waar mijn ouders hun oude dag zullen slijten. Hij staat tegen de boerderijwoning aan, die door mijn broer en zijn gezin bewoond zal gaan worden. Het is een belangrijke stap in de bedrijfsovername.

Mijn kinderen rennen dwars door de keuken, over het plakband dat ze niet opmerken. Ik spoor ze aan om een spelletje te doen. Ze moeten binnen de grenzen van het plakband blijven, anders worden ze opgegeten door krokodillen. Het is een variant op een spel dat ik hier vroeger speelde. Mijn kinderen kijken naar de tegels waar ze niet mogen komen. 
“Nee,” zegt de oudste beslist. 
Ze gaat het spel niet spelen, het is te eng. 

Als ik zelf tussen de plakbandstroken in ga staan en een paar stappen zet, merk ik dat ik hier nog altijd meer ruimte heb dan in mijn eigen keuken. Ook al gaat het om een verhuizing van slechts een paar meter, toch zal het voor mijn ouders behoorlijk wennen zijn. Het nieuwe huis is gewoon een maatje kleiner. 

Maar de verandering is veel groter dan het verschil in oppervlakte. Het is alsof mijn moeder zich met dat plakband probeert vast te houden aan een situatie die zal verdwijnen.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Verdwenen

Foto: Eric van Haren

Het is precies een kwart eeuw geleden dat ik voor het eerst met een volle boekentas onder de snelbinders naar mijn nieuwe school Nijmegen-West reed. Ik deed dat met een omweg, via het dorp, zodat ik mee kon fietsen met een paar vriendjes van voetbal. Samen sta je sterk, maar dat weerhield een jongen van Kinderdorp Neerbosch (jeugdinstelling) er niet van om mij aan het einde van de Pieckelaan met fiets en al de struiken in te duwen. Welkom in de grote, boze wereld. 

Sinds anderhalf jaar woon ik met mijn jonge gezin op een steenworpafstand van de plek waar mijn middelbare school heeft gestaan. Elke keer als ik door de Dennenstraat kom, denk ik aan mijn schooltijd. Aan de flippo’s die door de gang rolden, aan het thee drinken achter het biologielokaal met toa Koos en aan het goedkope ringetje dat ik bij de fietsenstalling van Lonneke terugkreeg na twee weken verkering (“Ik wil je niet aan het lijntje houden”).

Foto: Eric van Haren

Van de school is niets overgebleven. De oprit, het hoofdgebouw, de barakken, de sportvelden; allemaal weg. Een complete woonwijk is ervoor in de plaats gekomen. De havo van Nijmegen-West heeft iets verderop onderdak gevonden, bij het Dominicus College aan de Energieweg. Bij de ‘stuudjes’, zoals wij ze noemden toen ze bij ons door de gangen liepen op weg naar het technieklokaal. Ze liepen anders, ze spraken anders, ze hadden geen gel in het haar. Nu horen ‘wij’ bij de stuudjes.

Als de scholieren vanaf komende week weer dagelijks naar het Dominicus fietsen, peins ik op de Dennenstraat over wat waar heeft gestaan. De eerste zijstraat na de kerk, was dat de oprit van de school? 

Ik heb destijds nooit gedacht dat ik hier zou komen wonen, maar ik heb ook nooit gedacht dat alles zou verdwijnen.


Deze column verscheen in De Gelderlander.
Foto’s zijn gemaakt vlak voor de sloop van de school in 2007 en zijn afkomstig van de website Verlaten Schoonheden van Eric van Haren. Daar zijn meer foto’s te vinden.

Auto


Je komt voor een koelbox en je vertrekt met een auto. Zo ging het bij ons, toen we voor aanvang van een weekje in Zeeland een tussenstop maakten bij mijn ouders in Beuningen. 

Onze auto was volgepakt, de kinderen waren voorbereid op een lange rit, we moesten alleen nog naar de boerderij voor die koelbox. Maar op de Energieweg vertoonde de auto kuren. Een buurman van mijn ouders keek ernaar en had slecht nieuws. We konden niet weg. Althans, niet met deze wagen. Daarop boden mijn ouders hun auto aan. 
‘Weten jullie het zeker?’ 
Ja, ze wisten het zeker. Ze hadden toch geen plannen, de dieren moesten verzorgd worden.  

En daar gingen we. Met de auto van mijn ouders kon het niet anders dan dat het ook een ‘ouderlijke’ vakantie zou worden. Vaak had ik het idee dat ik mijn vader nadeed. Als we langs een boerderij kwamen en ik de kinderen vroeg de koeien te tellen. Als ik hun half overgebleven pannenkoeken opat. Als ik belegen grapjes maakte over Duitsers. 

Terwijl onze eigen auto aan de andere kant van het land werd gerepareerd, genoten wij van Walcheren. De auto van mijn ouders deed zijn werk. De koelbox niet, want op de camping bleek gewoon een koelkast aanwezig. 

Op de terugweg dacht ik na over hoe we mijn ouders konden bedanken. Ik wist het niet goed. Maar dat regelde zich vanzelf. Na het terugbrengen van de auto stapten we in onze eigen vierwieler. Toen ik hem draaide op het erf, zag ik in de stal een koe liggen. Aan de achterkant staken twee pootjes uit. Ik reed langs het terras, liet het raampje zakken en vertelde over de koekalverij. Dat was een bedankje waar ze iets mee konden. Mijn vader stond meteen op.
Eenmaal thuis ontving ik een foto van een moederkoe die haar gezonde kalf drooglikte.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Communicatie

Hoe maak je de ander iets duidelijk? Het is een kwestie waar de mens al eeuwen mee worstelt en waar tegenwoordig tal van studies en beroepen voor bestaan. Niet vreemd, want zelfs binnen een familie kan het begrijpen van de ander een hele uitdaging zijn.

Deze week reed ik over de Schoenaker. Mijn jongste dochter zat achterin en had het over ‘auto piesie’ of zoiets. Ik dacht dat het ging over de kindermuziek die op stond. Ik snapte het niet.
‘Een auto?’ vroeg ik.
‘Auto piesie,’ herhaalde ze ongeduldig, ‘tatu tatu!’
Ah, een politieauto! En inderdaad, in de verte zag ik nog net een glimp van een dienstwagen.
Ik was blij dat ik haar begreep en trots op haar oplettendheid. Maar ik voelde me ook beschaamd dat zij zich had moeten verlagen tot babytaal (tatu tatu) om mij iets duidelijk te maken.

Een tijdje terug hielp ik mijn broer met het opruimen in onze oude stal. Ik had een buis in mijn handen en vroeg waar die heen moest.
‘Naar het kleine hok.’
Ik keek rond en deed mijn best te begrijpen wat hij bedoelde, maar ik wist het niet. Toen ik vroeg welk hok, moest hij nadenken. Hoe kon hij het me uitleggen. Voor hem was ‘het kleine hok’ een logische omschrijving en eigenlijk zou dat ook genoeg moeten zijn. Hoe vaak ik niet in deze stal heb gewerkt en gespeeld, ik ken elke vierkante meter. Maar ik heb er nooit woorden aan hoeven geven. Mijn broer ook niet.
‘Bij de kapstok,’ zei hij, ‘naast die deur daar.’  

De familieklassieker in dit genre komt van mijn neef. Hij ging toen hij jong was eens op bezoek bij mijn oma en vertelde haar heel enthousiast dat hij een nieuwe fiets had gekregen. Mijn oma was slechthorend en had hem niet verstaan. Mijn neef verhief zijn stem en zei nog eens dat hij een nieuwe fiets had gekregen. Het hielp niet.
Toen riep hij: ‘Ik heb een nije fiets gekregen!’
‘Zo zeg!’ zei oma, ‘heb jij een nije fiets gekregen?’

Deze column verscheen in De Gelderlander. 




Beloning

In de reserve-slaapkamer van mijn gehandicapte zus staat een kast met daar bovenop tien bokalen keurig op een rij. Soms, als ze niet bij mijn ouders in Beuningen is, loop ik haar kamer even in om ze te bekijken. Het zijn pronkstukken die ze de afgelopen vijftien jaar bij elkaar heeft gewandeld. De Winterserie van de Paschalismars is vaste prik voor haar. Van november tot en met maart loopt ze eens per maand vijf kilometer.  

Zelf heb ik in mijn tienerjaren vier keer de Nijmeegse Vierdaagse uitgelopen. De medailles ben ik kwijt. Dat is jammer, maar niet heel erg. Ik heb de beloning van de Vierdaagse nooit zo speciaal gevonden. Als je voor de derde of vierde keer de tocht der tochten hebt volbracht, ontvang je een zielig groen speldje met een cijfer erop. Daar moet je het mee doen.

Bij de Winterserie van de Paschalismars is dat wel anders. Daar krijg je altijd, mits je een euro extra betaald, een beker. Niet zo’n lullig, plastic geval dat meteen uit elkaar valt, maar een fraai versierde, metalen prijs dat elk jaar anders is van vorm. De ene keer is het een schoen, de andere keer is het een Champions League-achtige cup met een afbeelding van wandelaars erop.  

Deze winter liep ik voor het eerst mee met mijn zus tijdens een van die marsen. Het was aanpoten. De gehandicapten stapten flink door en ook sociaal moest ik vol aan de bak. Mijn zus had van tevoren heel enthousiast gereageerd dat ik mee zou doen, maar tijdens de mars besloot ze de vaste begeleider van de groep gezelschap te houden. Terwijl zij hem de oren van de kop praatte, bleef ik zoeken naar een ander wandelmaatje. 
Mijn eerste bokaal moet nog worden verdiend. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.