Vlieg

We hebben een vlieg in de auto. Hij moet zijn meegekomen van de boerderij van mijn ouders. Mijn jongste heeft hem als eerste opgemerkt. Ze gilt. Dat is niet gek. Ze gilt wel vaker om een vlieg. Het gillen houdt aan. De vlieg laat zich niet kennen. Ik draai de ramen open, maar hij duikt naar achter, verdwijnt in de achterbak, keert terug, cirkelt om mijn dochters, harder gegil, schiet voorbij de voorstoelen, langs een open raam, maar hij laat zich niet verleiden. Ik wapper met mijn vrije hand en even voel ik hem. Zo klein, zo licht. Hij kriebelt. Maar de vlieg is niet van slag. Opnieuw zoekt hij alle hoeken van de wagen op. Het gillen van de jongste neemt af. Ze wil nog wel doorgaan, maar dat lukt haar niet meer zo goed. Ze hoest. Ze wordt schor. De oudste heeft zo haar eigen methodes. Ze fluistert: ‘Vliegje. Vliegje.’ 
Het is een vlieg die op koeienruggen heeft gezeten (en daar zwiepende staarten heeft ontweken), maar ook op de rand van een emmer, op een weidepaaltje, op schrikdraad en op stront misschien. Op het Beuningse platteland wreef hij rustig zijn pootjes tegen elkaar. Daar heeft hij nu geen tijd voor. Hij maakt nog maar eens een rondje. De jongste is stil. Alleen haar gezicht gilt nog. 
Als we thuis zijn en uitstappen, wil de vlieg niet meteen mee. De oudste houdt de deur open. ‘Kom,’ fluistert ze. Hij neemt afscheid van onze auto en vliegt dan weg. Over de straat, over de huizen en de tuinen, de stad in. Op de stoep kijken we hem na. Ik denk hem nog te zien, maar ik weet het niet zeker. Het kan ook een vlekje voor mijn ogen zijn.  
‘Komt ie nog terug?’ vraagt de jongste. 
‘Misschien,’ zegt de oudste.
Ik sla een arm om de jongste en laat mijn neus even op haar hoofd rusten. Ze ruikt naar boerderij. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Eb

Op het strand van Cadzand, 233 kilometer van hier, bracht ik in de brandende zon een eerbetoon aan de kerk van Ewijk. En meteen ook aan die van Winssen, Horssen, Puiflijk, Batenburg, Afferden, Heumen, Beek en ga zo maar door. Met vliegers en rennende kinderen in de nabijheid en het alles overstemmende geluid van golven, gegil en spattend water werkte ik geduldig en secuur aan een godshuis van zand. 

In het begin hielpen mijn kinderen nog mee. Ze groeven kuilen en sloegen met vlakke handjes tegen een muurtje om hem stevig te maken. Maar de zee lonkte en ze lieten me al snel alleen achter met mijn kerk. Soms is het opmerkelijk eenvoudig om de symboliek van iets in te zien. Daar kwam nog iets bij: het was eb toen ik mijn Heilige Johannes XXIII bouwde. Ik maakte iets waarvan ik wist dat het over enkele uren opgeslokt zou worden door het water. 

Daar in Zeeland had het nieuws me nog niet bereikt dat de kerk van Beuningen juist vaker zijn deuren zou gaan openen. Buiten de vieringen, om tot rust te komen, een kaarsje aan te steken, een praatje te maken met een ander. Een mooi idee. Zou mijn eerbetoon met die kennis er anders uit hebben gezien?

De kerk van Ewijk heb ik maar twee of drie keer in mijn leven bezocht. De strandversie werd dan ook niet bepaald een kopie. Ik nam mijn vrijheid, als een ware kunstenaar. Mijn kerk bleef maar uitdijen en toen we het strand verlieten stond er een heuse Sint-Pieter. Met veertjes en schelpjes op de koepels en torens in plaats van marmeren en gouden tierelantijnen. De kinderen kwamen kijken en moesten toegeven dat hij toch wel erg mooi was geworden. Toen wilden ze gaan. Ik sloeg nog snel een kruisje, al twijfelde ik of ik dat op de goede manier deed. Links, rechts of rechts, links?

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Pijn

Ik reed de teststraat in bij de Nijmeegse GGD en tot op dat moment had ik geen negatieve associatie bij het woord ‘test’. Sinds februari was ik niet meer echt verkouden geweest. Nu wel, en mijn kinderen ook. Dus ging ik “even een testje doen”, zoals ik het formuleerde tegen mijn zus. 

Ze zeggen weleens dat je pijn vergeet. Dat je hersenen ervoor zorgen dat je concrete pijn later niet meer exact kunt herinneren. Ik heb een andere ervaring. De verpleegkundige legde rustig uit wat er ging gebeuren. Ze zou een lang wattenstaafje in mijn keel steken. “Daar kun je kokhalsneigingen van krijgen.” Ik kreeg die neiging, al viel het me mee. 

Maar toen de neus. “Het kan vervelend aanvoelen, maar het mag geen pijn doen.” Dat is psychologisch natuurlijk. Enerzijds moet je een beetje voorbereid zijn op wat komt, anderzijds moet je niet van tevoren al in paniek raken. “Kies maar een neusgat uit”, zei ze. Ze drukte de staaf goed door. Ik trilde op de stoel, mijn armen maakte ongecontroleerde bewegingen. Alleen het oog boven het betreffende neusgat traande, maar het was wel een stortvloed. 

Ik vraag me af of ik dit pijn mag noemen. Bij een man schijnt de pijngrens lager te liggen dan bij een vrouw. Bij mij misschien nog wel lager. Ik schaam me ervoor. Eigenlijk heb ik nooit echt pijn gehad. Geen wortelkanaalbehandeling, geen arm uit de kom, geen ziekte. “Alles doet pijn,” zei mijn vrouw. Ze had het tegen mijn dochter die jammerde bij het zoveelste paar schoenen dat ze paste, maar ik betrok het op mezelf. 

Door een gesprek met een lotgenoot, iemand die ook getest is, voelde ik me uiteindelijk erkend. Hij zuchtte en steunde toen hij over zijn ervaring sprak, en op een gegeven moment liet hij dat ene woord vallen. “Pijn”. Yes! Ik was niet alleen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Missie

In 1916 kwam in Beuningen mijn oudtante Annie ter wereld. In 1941 trad ze toe tot de Zusters van Liefde. Ze kreeg de naam Zuster Materna, maar voor de familie bleef ze ‘tante Annie’. Ze werkte in het blindeninstituut in Grave en later, in de jaren 70 en begin jaren 80, op een school in Washabo, Suriname.Ik heb diep respect voor mijn oudtante. Ze koos ervoor om voor lange tijd in een ver, onbekend land arme kinderen te helpen. Ik heb haar niet gekend, ze overleed in 1993, maar binnen de familie gold ze als de liefste tante. In brieven aan mijn ouders toont ze zich betrokken. Op foto’s staat een vitale, charmante vrouw. 

Dat is het verhaal van mijn oudtante, maar het is niet het hele verhaal. Ik heb er nooit echt bij stilgestaan dat het missiewerk hand in hand ging met het kolonialisme. De zusters en paters bouwden scholen en ziekenhuizen en brachten tegelijkertijd hun godsdienst mee. In ruil voor onderwijs en zorg werden mensen overgehaald hun eigen geloof af te leggen. Dat kwam de Nederlandse overheid goed uit, zo behield het ook op dat vlak de macht over de Surinaamse bevolking. 

De Vlaamse politicoloog Olivia Rutazibwa zegt dat de zusters en paters moeilijk iets te verwijten valt. Wat ze deden, deden ze met de beste bedoelingen. In het huidige debat zou het volgens haar ook niet moeten gaan over wie schuldig is. Dat staat de pijnlijke waarheid alleen maar in de weg, namelijk dat racisme altijd structureel is, een ideologie. In een interview laat ze zien dat racisme in de koloniale tijd werd gebruikt om een kapitalistisch systeem te rechtvaardigen. “Je moet een logica hebben om mensen te kidnappen, ze van de ene naar de andere kant van de wereld te brengen en aan het werk te zetten.”

Dit verleden galmt nog altijd na.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Het interview met Olivia Rutazibwa heeft me dagen bezig gehouden. Het is als video en als podcast hier te vinden.

Huizen

Op 23 september 1991 duwde ik drie aan elkaar geniete papiertjes door de brievenbus van het gemeentehuis met daarop veertig handtekeningen. Ik vond dat destijds ontzettend veel. Mijn actie richtte zich tegen de groei van Beuningen. Er was toen net begonnen aan de bouw van Den Balmerd. Ik vond dat het dorp groot genoeg was en dat ze moesten stoppen, per direct. 

Typisch: er is heel wat onrecht in de wereld om tegen te strijden en ik koos als eerste verzetsdaad voor dit. Gedreven door een misplaatst nostalgisch gevoel, waarschijnlijk onbewust gevoed door mijn ouders, mijn grootouders en Het Dorp van Wim Sonneveld. 

Het protest leverde me een sticker, een rondleiding door het gemeentehuis en een correspondentie met de burgemeester van zes brieven op. Maar in feite was mijn actie als 9-jarige een grote mislukking. Na Den Balmerd volgde De Heuve, De Beuningse Plas, De Rietlanden en De Hutgraaf. Elke keer als er in Beuningen een paal de grond in gaat, herinnert me dat aan mijn beperkte invloed. 

En dat is, zeker achteraf gezien, maar goed ook. Op dit moment hebben 40.000 Nederlanders geen huis, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Sinds 2010 is het aantal daklozen verdubbeld, onder jongeren van 18 tot 30 jaar zelfs verdrievoudigd. Het woningtekort is opgelopen tot 315.000 woningen. Het nieuwe plan van de gemeente Beuningen om de komende tien jaar 3.000 huizen te gaan bouwen, kan ik dan ook alleen maar aanmoedigen. 

Ik heb een keer uitgerekend dat Beuningen sinds de geboorte van mijn vader acht keer zo groot is geworden. Met het nieuwe plan zal dat voorbij de tien gaan. Dat is misschien jammer, maar we hebben de foto’s en verhalen nog. En ergens in het archief van het gemeentehuis drie aan elkaar geniete papiertjes.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Blind

Eens brachten drie landbouwwetenschappers uit Tanzania een bezoek aan onze boerderij. Ze werden rondgeleid op het bedrijf en daarna was er koffie en appeltaart in de woonkamer. Wij zaten er als kinderen bij en maakten tegen oma, ook van de partij, de grap dat het schmink was op hun gezichten. Dat ze het eraf konden halen. Heel even was oma in verwarring. Wij gniffelden. We wisten dat die grap eigenlijk niet kon, maar we dachten dat het niet zo erg zou zijn omdat ze ons toch niet konden verstaan.

Door de vele protesten kwam deze herinnering weer boven. Net als dat incident bij de fanfare, in dezelfde periode of ietsje later. Bij de slagwerksectie zat een jongen van kleur. Hij werd volledig opgenomen in de vereniging. We waren trots, omdat we dankzij hem een diverse club hadden. Toch was er een moment dat ik niet zal vergeten. De jongen moest van de dirigent een passage opnieuw spelen omdat het nog niet goed zat. Ergens aan de andere kant van het orkest, waarschijnlijk onverstaanbaar voor die jongen, zei iemand: “Je zou verwachten dat ze ritmischer zouden zijn”. 

Ook hier wist ik dat het niet kon, dat het erg was. Maar niet hoe erg, als ze dit achter je rug om zeggen, als dit de wereld is waarin je leeft, elke dag. Zouden zulke grappen tegenwoordig nog gemaakt worden? Ik vrees van wel. 

Een vriendin vroeg zich laatst af hoe zij en ik en velen met ons zo lang zo’n blinde vlek konden hebben voor Zwarte Piet. Het is het zoveelste bewijs dat mensen maar een beperkt zicht hebben op hun omgeving. Er ligt zoveel buiten ons gezichtsveld. Blinde vlekken waar anderen je jarenlang op moeten wijzen, net zolang tot jij ze ook ziet. 

Ik ben het zat. Die vlekken moeten weg. Bij mij. Bij iedereen. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Dozen

Al jaren zegt mijn moeder met enige regelmaat dat ik meer los moet laten, maar nu ze aan het verhuizen is vraag ik me af of ze het niet al die tijd tegen zichzelf had. Pas stapte ik na lange tijd weer over de drempel van mijn ouderlijk huis en verbaasde me over de spullen die er nog stonden. Hier een kast, daar een schilderij en overal waar ik keek dozen. Ze is al maanden bezig en slaapt alweer een behoorlijke tijd in de nieuwe woning die naast het ouderlijk huis is gebouwd, maar blijkbaar ontbreekt het op de boerderij aan een flinke schep. Een schep waarmee je alle rommel zonder pardon het huis uit kiepert. 

Mijn moeder hoorde zwijgend mijn commentaar aan en zette me aan het werk. Ik moest van de spullen die van mij waren bepalen wat weg kon en wat niet. Zo transformeerde ik weer helemaal in de zoon van mijn moeder. Ik deed precies hetzelfde als zij. Een uur lang was ik bezig met twee dozen, wat slechts resulteerde in een klein kan-weg-stapeltje. Het was een achtbaan van herinneringen. Ik duikelde van het ene schooljaar in het andere, wat me soms deed glimlachen maar vaak ook pijnlijk was. Zoals de harde opmerkingen van de leraren in de kantlijn. ‘Je hebt de kern weer niet begrepen.’ Toch besloot ik het te bewaren, omdat ook dat bij mijn schooltijd hoorde. 

Het doet me denken aan de twee oude zussen die hun hele leven samenwoonden in de straat van mijn ouders. Toen hun huis werd afgebroken, nam de grijper van de sloopmachine een hap uit de bovenverdieping en versplinterde een kast die daar nog tegen de muur stond. De vele spullen die erin lagen vielen op en tussen het puin. Alles in dat huis was leeggeruimd, behalve die volle kast. Alsof ze daar zoveel mogelijk in hadden gestopt. Niets is moeilijker dan loslaten.

Deze column verscheen in De Gelderlander. 

Eiland

Ik was 13 toen ik op een zonnige middag met mijn Nijmeegse neef een balletje trapte en we een voetbalclub verzonnen. We gingen naar binnen, pakten pen en papier en schreven het uit. We bedachten spelers, een competitie en een land waarin deze competitie werd gespeeld. Mijn neef ging naar huis en vergat onze fantasie. Ik bleef achter met de papieren en scherpte de boel aan. Het land was een eiland ter hoogte van Brazilië, het team speelde in blauwe shirts. 

Ik werd 15, 16, 18 en bleef in schriftjes de wedstrijden van mijn club noteren. Ik ging studeren en dacht op mijn kamer in de stad aan transfers en contractverlengingen. Ik kreeg werk en hield me in de vrije uren bezig met nieuwe spelers uit eigen jeugd. En zo gaat het nog steeds. Het is iets van mezelf, iets waarin ik kan verdwijnen, waar ik controle over heb. 

Ik heb me er altijd voor geschaamd, al wist ik dat het een broodnodige ontsnapping was. Een afleiding voor als ik weer zit te piekeren. Maar juist nu een pandemie de wereld in zijn tang heeft en ik mijn fantasie hard nodig heb, kan ik er niks mee. De impact van het virus is zo groot dat zelfs mijn eiland zich ertoe moet verhouden. Negeren lukt me niet. In de loop der jaren heb ik te veel lijnen uitgezet naar de werkelijkheid. Oud-spelers van mijn bedachte club spelen voor Juventus en Liverpool. Vorig jaar won mijn club de Champions League van Zuid-Amerika. Doorvoetballen klopt gewoon niet.

Pas vorige week vond ik een uitweg. Ik bedacht dat het eiland de besmettingen snel onder controle zou hebben. Na een korte stop zou de competitie worden hervat. Eerst spelen in lege stadions, daarna als vanouds. Ik geloof erin en dat is voldoende. Met de aankomende recessie zal ik mijn eiland hard nodig hebben. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kleuterschool

Voordat ik de billen van mijn 5-jarige dochter afveegde, keken we samen naar de drol die in de wc dreef. Ik vroeg haar op welke letter hij leek. “Een L?” Ik knikte. Met een grote glimlach bukte ze voorover en toonde haar achterwerk. 

Thuisonderwijs kan op vele manieren, merkte ik de afgelopen tijd, zeker bij kleuters. Van school kreeg mijn oudste elke week een bingokaart met opdrachten. Daar werkte ze braaf aan. Toch stak ze het meeste op van zaken buiten de bingokaart. 

Bijvoorbeeld toen ze ontdekte dat er allemaal tekeningen van haar in de papiercontainer lagen. Zo leerde ze dat niet alles wat ze doet geweldig is en moet worden bewaard.

Ze maakte ook kennis met de consequenties van keuzes. Op een avond gaf ze aan dat haar staart eraf moest. We vroegen meerdere malen of ze dat wel zeker wist. “Ja, echt, doe nou maar.” Dus zette mijn vrouw de schaar erin. Goedgehumeurd ging ze slapen. De volgende ochtend waren er dikke tranen en begon ze over een pruik.

Ze kreeg meer begrip van afstand. Het ritje naar oma en opa in Beuningen voelde door de lockdown ineens als een flinke afstand. Het was een uitje geworden. Ze leerde kleine dingen meer waarderen: knuffelen met de hond en zwaaien naar opa en oma vanaf het gazon. 

De grootste ontwikkeling zag ik bij het schommelen. In een paar weken leerde ze de schommel zelf in beweging te krijgen terwijl ze erop zat, er in volle vaart vanaf te springen en een dozijn aan trucjes. Ook de jongste (3) maakte grote stappen met de schommel. Ze leerde er zelf opklimmen en wilde naarmate de weken vorderde steeds harder. Bovendien ontdekte ze wat een schommel teweeg kan brengen. Tijdens een lange beurt in de volle zon, kwam ineens met golven de boterham van die middag weer naar buiten.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Springkussen

Een maand geleden kreeg ik een telefoontje uit Druten. Mijn gehandicapte zus klonk behoorlijk ontdaan toen ze vroeg of ik het nieuws had gehoord ‘van de president’. Het was de eerste keer datik haar het woord ‘president’ hoorde zeggen. Voor vrijwel iedereen kwam deze lockdown onverwacht, maar voor mijn zus – veilig en onwetend in haar kleine wereldje – helemaal. “Ik heb nu een beetje vakantie,” zei ze. Haar stem trilde, dat waren duidelijk niet haar eigen woorden. 

Toch klopt het wel. In het Thomashuis, waar mijn zus met acht andere gehandicapten woont, zijn ze in de vakantiemodus gegaan. Met elke dag een activiteit, van bingo tot boswandeling, en voor de familie een wekelijkse nieuwsbrief met foto’s en verslag. Er is zelfs een springkussen geregeld. Mijn zus klom daar een paar keer op, maar kreeg last van haar heup. Dat heeft iets symbolisch. Ze doet leuke dingen, maar onder pijnlijke voorwaarden: ze ziet niemand van buiten. Mijn zus vindt dat lastiger dan de anderen, omdat ze regelmatig ‘naar huis’ gaat. Of zoals haar begeleider zei: “Bij jullie is er altijd wel een feestje.” 

Vaak wens ik dat mijn zus wat meer meekrijgt van wat er in de wereld speelt, zodat we ook over andere zaken kunnen praten dan alleen huiselijke. Maar in dit geval had het nieuws aan haar voorbij mogen gaan. 

Gelukkig kunnen we met haar videobellen. Dit leverde mooie momenten op toen we met de familie een digitale samenkomst hielden. Mijn zus, die slechtziend is, had niet meteen door dat het met de hele familie was. Elke keer als iemand iets zei en in beeld kwam, slaakte ze een vreugdekreet. Ze bleek tot haar verrassing niet alleen met haar broer te spreken, maar ook met haar andere broer, haar zus, haar vader en haar moeder.

Deze column verscheen in De Gelderlander.