Wilfred (2)


Ik ging er zondag eens goed voor zitten. Chips en drank bij de hand, kussentje in de rug, het volume iets omhoog. Na een lange, hete zomer was het dan zover. Hoe zou het onze Wilfred zijn vergaan?
.
Wilfred is familie van me, zo ontdekte ik na de eerste aflevering van Boer Zoekt Vrouw in mei. Zowel mijn vader als mijn moeder is ergens verwant aan hem. Ik vergeet steeds hoe dat zit. Het is ingewikkeld. In mijn vorige column over Wilfred had ik het verkeerd opgeschreven, bleek achteraf.
.
Terug naar zondag. De uitzending was nog maar net op gang toen Yvon het boerenerf in Beneden-Leeuwen opreed. Het bleken fifteen minutes of fame, of eigenlijk nog minder. Met zes brieven komt Wilfred niet wekelijks op de beeldbuis. Vanaf morgen volgen we vijf andere boeren.
.
Maar de kortstondige tv-carrière van Wilfred mocht er wezen. Hij moest een vrouw zoeken in de stal en een vrouw in de schuur. De eerste zei: “Ik ben bereid om te helpen”. Dat klonk heel officieel, alsof ze al voor het altaar stond en haar bijdrage aan het boerenbedrijf wilde vastleggen. Ook mooi was toen hij haar vertelde waar je een koe het beste kunt aaien. Achter de kruin, dat vinden ze fijn.
.
Mijn neef Heino, elektricien in Beuningen, ziet Wilfred regelmatig. Toen hij deze zomer een keer langs ging en een opgeruimd erf zag, vroeg hij: “Is Yvon geweest?” Een beetje plagen, want Wilfred mag niets zeggen, anders krijgt hij een fikse geldboete. Op Facebook zag Heino dat een vrouw die hij niet kende een foto van Wilfred had geliked. Hij denkt dat Wilfred iemand heeft gevonden, maar hij weet het niet zeker. Dat blijft ook nog even geheim. We moeten geduld hebben, tot de reünie.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kerktoren


‘Eén gebouw was er op mijn dorp, dat mijne grootste bewondering wekte. Dit gaf mij de indrukken, die mij het eerst met liefde voor de bouwkunst vervulden. Dat gebouw was de hooge kerktoren van Beuningen. Zulk een toren als deze was er in de geheele wereld niet te vinden, dacht mij.’
Ik lees dit in de autobiografie Bladzijden uit mijn leven van Johannes van ’t Lindenhout uit 1900. Hij kwam uit Beuningen, was een boerenzoon die zelf nooit boer werd en hij schreef. Tot zover de overeenkomsten. Van ’t Lindenhout staat vooral bekend als oprichter van Weesinrichting Neerbosch.
Over de kerktoren raakt hij niet uitgepend. ‘Ik heb er dikwijls naar staan kijken, en mij verbeeld dat hij al hooger en hooger werd, en wanneer dan aan de tegenovergestelde zijde een bui van donkere wolken aan kwam drijven, dan trilde mijn hart van vrees, dat zij tegen den mooien toren zouden botsen en hij daardoor omver zou vallen.’
Het is vooral de haan bovenop de toren die in zijn jeugd de aandacht trekt. Zijn vader vertelt hem het verhaal dat er vlak voor zijn geboorte een storm woedde waarbij het gebouw scheef zakte. Ze hadden ’m rechtgezet en bij die gelegenheid de haan er afgehaald. De leidekkers droegen hem op hun rug door het dorp en alle boerenmeisjes werden uitgenodigd om er overheen te springen. Dan konden ze voortaan zeggen dat zij over de haan van de kerktoren waren gesprongen.
Het moedigt me aan om weer eens naar de kerk te gaan. Voor de ingang tuur ik naar boven en probeer te voelen wat Van ’t Lindenhout, een protestant nota bene, als klein jochie voelde. Er staat geen wind, er zijn geen wolken en de toren wil maar niet groeien, hoe hard ik mijn verbeelding ook laat werken. Maar de goudkleurige haan staat trots te blinken in de zon.
Verderop schrijft Van ’t Lindenhout: ‘(…) ik heb al vroeg begrepen, dat er niets veranderlijker is in de wereld dan kerken, en het dus gevaarlijk is, daar zijne hoop op te stellen.’ In Beuningen was de kerk toen al minstens vijf keer opgebouwd en afgebroken. Aan toekomstvoorspellingen waagt hij zich maar niet.
Het doet me denken aan Afferden, Puiflijk, Deest, Horssen en Batenburg, waar de kerken de afgelopen jaren een voor een werden ontmanteld. Twee zijn er verkocht en in de andere drie vinden geen vieringen meer plaats, daar is het alleen nog de vraag wanneer ze in de verkoop gaan. Over de Beuningse kerk zou ook ik geen uitspraak durven doen.
.
Een verkorte versie van deze tekst verscheen als column in De Gelderlander.

Dorus bij Ondercast


Deze zomer droeg ik mijn verhaal voor over Dorus de Mus, een vooroorlogs buitenbeentje uit mijn geboortedorp. Deze voordracht werd opgenomen door Dennis Gaens van Ondercast en kreeg een plekje in de zomeraflevering van deze literaire podcast.
In de aflevering zitten ook mooie bijdragen van Yelena Schmitz, Laurens Duyts, Marlies Rijneveld, Merlijn Huntjens en Laurens van de Linde.

Beluister het hier.

Actieheldin


.
Aan het einde van de middag pakte mijn neefje het springtouw van mijn dochter af en was het huilen. We vierden de verjaardag van mijn gehandicapte zus. Voor mijn neefje was het de laatste vakantiedag. Vermoeid van het vele buiten spelen en avonden laat opblijven kwam het treiteren tot een climax. Hij trok net zo lang aan het springtouw tot hij ’m had.
.
Tegen dit onrecht kwam het feestvarken in actie. Ze pakte de hand van mijn dochter en samen gingen ze op zoek naar de dader. Makkelijk was dat niet. Mijn neefje rende ver voor ze uit op het boerenerf. Mijn zus liet de hand van mijn dochter los en ging er in haar eentje achteraan. Ze is groot fan van Flikken Maastricht, voor haar verjaardag had ze het 12e seizoen op dvd gekregen, en liet hier een fraai staaltje Flikken-actie zien. Flikken Beuningen.
.
Mijn neefje was inmiddels bij de graskuil. Mijn zus pakte de skelter en sjeesde weg. Nog nooit had ik haar zo snel zien trappen. Maar het ging haar niet snel genoeg. Uit de garage haalde ze haar driewieler, boog diep over het stuur en crosste langs de melkstal. Ze had niet in de gaten dat mijn neefje achter het huis naar haar stond te kijken. Hij moest ergens zijn, maar haar slechte ogen werkten niet mee. Ze liet zich niet kennen, luisterde niet naar onze aanwijzingen en reed zonder dat ze het merkte de spiegel van haar driewieler eraf.
.
Toen ze doorhad waar de dader was, zette ze de driewieler weg en liep in grote passen op hem af. Mijn neefje was onder de indruk. Hij gaf het springtouw aan mijn dochter en hoorde de preek van mijn zus aan. Mijn dochter keek naar het springtouw in haar handen, sprong drie keer en liet het toen op de grond liggen. Mijn zus nam een flinke slok cola light om bij te komen.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Vasthouden

Eindelijk op de A73 zitten en steeds dichterbij komen. Je huis al kunnen ruiken. Schakelen naar de 4 en dan naar de 3. De buren gedag zeggen als je uitstapt. Ze de ruimte geven hun jaloezie te verwoorden: “Kijk, daar hebben we de vakantiegangers weer”. De deur met moeite open krijgen vanwege de kranten en de post op de mat. Genieten van een schoon en opgeruimd huis. Tegen beter weten in geloven dat dat zo blijft. De kinderen enthousiast zien spelen met het speelgoed dat ze al jaren hebben. Tegen je dochter zeggen dat ze morgen het ijsje krijgt dat je haar beloofd hebt. De kinderen in bed doen. Op teenslippers bier halen in de supermarkt. In de uitgestorven supermarkt de ene vakkenvuller aan de ander horen vragen: “Hoe laat moet jij morgen beginnen?” Bier drinken in de tuin en je geen zorgen maken over het gazon, dat net zo geel is als de strovelden in Noord-Frankrijk. Je vrouw horen bellen met haar moeder, die ze op de luidspreker heeft gezet waardoor je schoonmoeder door het hele huis te horen is. Een oude krant doornemen. Zoeken naar muggen en er geen kunnen vinden. Naar de sterrenhemel kijken. Steeds meer sterren ontdekken. Niet kunnen slapen van de hitte, maar bedenken dat je nog een dag hebt om bij te slapen. Nog maar eens een oude krant lezen. Opschrijven dat je morgen een ventilator moet kopen. Een wandeling maken door de wijk en luisteren naar de geluiden: een scooter, een lach, een deur. Ontspannen op de bank gaan zitten. Nog een biertje openen. Je laptop openklappen en meteen weer dichtklappen. Onderuit gaan zitten. Je ogen dicht doen. Een slok nemen. De warmte voelen. De rust voelen. En dit vasthouden, vasthouden, vasthouden.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Aardbeien

In de zomer van ’97 was alles anders. Elke ochtend stond ik om 5 uur op en fietste van Beuningen naar de Grootstalselaan in Nijmegen, terwijl de zon langzaam opkwam. Eenmaal bij het aardbeienveld aangekomen, zaten de Vietnamezen al een uur op de grond tussen de planten. De plukkers waren allemaal Vietnamezen, want zij hadden kleine vingers en konden daardoor sneller plukken, zo leerde ik.
.
Op mijn eerste dag rende ik tussen de planten door en werd meteen teruggeroepen. Ik dacht dat ik snel moest zijn, maar rennen hou je niet een hele dag vol. Het was mijn taak om de kistjes te verzamelen die op de paden werden achtergelaten. Bij elk kistje dat ik optilde, noemde ik de naam van de plukker die verderop in de rij zat. Ze hadden namen als ‘Lindenholt’, ‘Aardbei’ en ‘Cruijff’, om het voor mij gemakkelijk te houden. Aan het einde van het veld werden de kistjes opgestapeld en kregen de Vietnamezen per kistje een streep achter hun naam. Ik werd per uur betaald, zij per kistje. De verschillen tussen de plukkers onderling waren groot en zichtbaar. Een oudere vrouw was telkens het verst in het veld. Een klasgenoot van me keek veel om zich heen, hij zat altijd vooraan in de rij.
.
Het aardbeienveld is al lang weg. Meneer Jos, zoals hij door de plukkers werd genoemd, heeft een paar jaar na die zomer een perenbedrijf in het Westen gekocht. Inmiddels is hij met pensioen. Mijn klasgenoot – de trage plukker – is getrouwd, heeft een kind en werkt voor een restaurant dat met Oosterse gerechten op muziekfestivals staat. De andere plukkers heb ik nooit meer gezien. En ik? Ik eet aardbeien uit de supermarkt, die eigenlijk veel te groot en te rood zijn.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Willem

Mijn ouders hebben een nieuwe buurman en hij heet Willem. Hij is ongeveer even oud als ik, alleen een stuk handiger. Dat was in elk geval mijn eerste indruk. Ik ontmoette hem toen hij met een soort van snoeiapparaat in de weer was. Er moest nog veel gebeuren in en om het huis, vertelde hij. Hij was een gemakkelijke prater. Zo had hij op de dijk ook al met wat dorpelingen gesproken.
.
Ik hoef me over mijn pensioengerechtigde ouders geen zorgen meer te maken nu ze Willem in de buurt hebben. Niet dat ik dat ook echt deed. Mijn vader viel dit voorjaar van de trap van de voerwagen en liep zes weken met een gebroken botje in zijn hand voordat hij naar de dokter ging. De hand moest alsnog negen weken in het gips. Dat maakte hem nerveus, maar dat kwam omdat onzeker was of met die gipsen hand een geplande vliegreis wel door kon gaan. Hij mocht aan boord, bleek vlak voor vertrek.
.
Komende week loopt mijn vader voor de zesde keer de Vierdaagse. Hij doet dat altijd zonder voorbereiding en in z’n eentje. De eerste keer belde ik iedere avond om te vragen hoe het was gegaan. Telkens verwachtte ik een zwaar verhaal, eindigend met het nieuws dat hij was uitgevallen. Maar nee, mijn vader ging goed, hij had het prima naar z’n zin. Op vrijdag prijkte de medaille op zijn borst.
.
Buurman Willem vroeg of de Vierdaagse aan zijn nieuwe huis voorbij zou trekken. Hij had jaren op de St. Annastraat gewoond, dus hij wist waar hij het over had. Hij reageerde enigszins teleurgesteld toen ik vertelde dat de stoet 300 meter verderop langs zou komen. Maar hij zei dat hij zeker ging kijken. Dat was dan alvast geregeld. Willem zou op mijn vader letten.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.