Complot

CStel dat je op een dag ontdekt dat iedereen een toneelstuk voor je opvoert. Je fietst door het dorp en bij een kruising zie je iemand naast zijn fiets staan. Als hij je opmerkt, klimt hij snel op zijn fiets. Verderop kijkt een wandelaar je aan. Als je terugkijkt, kijkt ze weg, heel even, en werpt dan weer een blik in jouw richting. Even later zie je een auto een zijstraat inslaan, je rijdt voorbij en ziet dan tussen de huizen door dat de auto net om de hoek is gestopt. Al maanden vermoed je dat er dingen niet kloppen en nu gebeurt het achter elkaar. 

Dit is het uitgangspunt van mijn allereerste verhaal. Ik schreef het op mijn 18e. Bij een copyshop op Aalsterveld in Beuningen liet ik het honderd keer kopiëren en inbinden. Het boek verkocht ik tegen kostprijs. De wereld verzonnen is het spannendste verhaal dat ik ooit schreef. Sindsdien is het bergafwaarts gegaan. Ieder verhaal dat volgde is minder spannend dan de vorige. Inmiddels streef ik naar een verhaal waar het volledig ontbreekt aan spanning.

Hoewel ik mijn boeken destijds niet allemaal ben kwijtgeraakt, is het verhaal wel verfilmd. Het heet The Truman Show en Jim Carrey speelt de hoofdrol. Dit is niet helemaal waar, maar zoals dat met complotten gaat, ben ik selectief in het kiezen wat ik vertel en stuur ik het een richting op die mij het beste uitkomt. De film van Carrey verscheen twee jaar voor ik mijn verhaal schreef, maar ik ontdekte pas een jaar na mijn verhaal dat die film bestond.

Eigenlijk zou ik het boek opnieuw uit moeten brengen. Er is een markt voor, nu complottheorieën en losse leugens steeds meer terrein winnen. Het dient ook een goed doel. Liever een complot verpakt in fictie, dan als dé waarheid op het web. Maar helaas, het verhaal is me te spannend. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Einde

De dood is vaak in mijn gedachten. Ik heb lang getwijfeld of ik die zin zo op zou schrijven, want ik wil geen slapende honden wakker maken. Ik weet dat het belachelijk is om te denken dat ik invloed heb op zoiets, maar toch. De harten van de mensen om mij heen kloppen nog en dat wil ik graag zo houden.

In de Netflix-documentaire Dick Johnson is dead – een van de mooiste films die ik afgelopen jaar zag – laat een filmmaker haar 86-jarige vader doodgaan. Talloze keren. Hij valt van de trap, krijgt een printer op zijn hoofd, glijdt uit op straat. Het is allemaal in scene gezet, met behulp van stuntmannen. De film is luchtig, maar de ernst en de pijn zijn nooit ver weg. Ook omdat de vader begint te dementeren. 

Als kind had ik het moeilijk met de dood. Als we naar mijn oma in Escharen gingen, dan reisden we af naar de dood. We namen de Graafseweg, staken de Maas over, langs de Mariakapel, de gevangenis en dan linksaf. Bij mijn oma voetbalden we met de familie in de tuin en op straat. Het was vrolijk en gezellig daar, tot ik naar de wc moest. Ik was te oud om iemand mee te vragen. In het donkere halletje stonden opgezette pauwen en fazanten. Ik durfde niet om me heen te kijken. Ook niet naar de trap. Daarboven had mijn opa gelegen. Misschien lag hij daar nog, of liep zijn geest daar rond. Zijn dood maakte indruk. We hadden thuis de begrafenis nagespeeld. Ik lag kaarsrecht op mijn rug op de vloer met mijn handen gevouwen, mijn zus hing huilend over me heen. ’s Nachts had ik nachtmerries.

In de documentaire gaat de vader in een kist liggen. Hij valt in slaap, zijn dochter kijkt toe. Ze nemen afscheid voordat het te laat is. Ze zijn, net als iedereen, op zoek naar acceptatie van het einde. Dan helpt ze hem weer uit de kist.   

Deze column stond in De Gelderlander.

Toneel

Rond de feestdagen ontpopte mijn jongste dochter (3,5 jaar) zich tot een ambitieus actrice. Eentje van de realistische school. Een volhouder, een vastbijter. Als methodacting nog niet bestond, had zij het uitgevonden. 

Eerst was ze een moeder. Ze liep vaak fluisterend door het huis en vroeg me vriendelijk doch dringend of ik wat rustiger wilde doen, want haar kinderen lagen te slapen. En dat terwijl ik stilletjes achter mijn laptop zat. “Opa, je moet stil zijn”, zei ze een keer tegen me. Een voor een legde ze haar poppen aan haar borst. De rest van de dag had ze een baby onder haar hemd tegen zich aan geklemd, alsof het kind in een draagzak zat. Toen ze op een ochtend uit bed stapte, zag ik dat ze die baby nog steeds onder haar hemd droeg. 

Na een tijdje begonnen we grapjes te maken over haar moederschap. We zeiden dat het hoog tijd werd om een hondje te zijn en zij nam dat bloedserieus. Ze zakte ter plekke door haar knieën en blafte twee uur achter elkaar. Sindsdien zijn we wat voorzichtiger met onze humor. 

Op een dag werd er een kindeke geboren op aard. “Ik ben baby Ayla”, zei ze en vervolgens hoorden we urenlang alleen maar gekir en andere babygeluidjes. Ze droeg weer rompers en was de hele dag op zoek naar haar speen. “Speen, speen.” Bij mijn ouders in Beuningen moest en zou ze in de kinderstoel. “Ze was heel rustig vandaag, als baby Ayla”, zei mijn moeder toen ik haar op kwam halen. Bij het avondeten deed ze moeilijk. Ik zei dat ze een paar happen moest nemen en koppelde dat aan haar leeftijd. “Hoe oud ben jij?” “Nul.” Gelukkig ging ze nog wel zelf naar de wc.  

Ik weet niet wat het nieuwe jaar ons brengt, maar haar brengt het in ieder geval de kleuterschool. Het is de eerste stap richting de toneelschool.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Knuffel

Terugblikkend op het afgelopen jaar denk ik als eerste aan dat ene huiselijke moment op donderdagmiddag 4 juni te Beuningen. Mijn gehandicapte zus was na vele weken eindelijk weer thuis bij mijn ouders. Ze zat aan tafel en speelde rummikub met mijn dochters, nichtje en neefje. Op een bepaald ogenblik zei ze zomaar uit het niets tegen mijn neefje: “Geef me maar een knuffel”. De jongen van 8 aarzelde even, stapte toen op zijn tante af en legde zijn smalle armen om haar heen. Ik zat aan de andere kant van de kamer en liet het op me inwerken.  

Mijn zus heeft zich verrassend goed door het jaar heen geslagen, met dank aan de zorgzame mensen om haar heen. De impact van de pandemie op haar dagelijkse leven was (en is) enorm, niet te vergelijken met mijn eigen situatie. Het virus is voor haar gevaarlijker, de maatregelen raken haar harder. Het maakt voor mij nog eens duidelijk wat het woord ‘kwetsbaar’ inhoudt.  

Dit jaar leerde ik dat er twee vormen van vrijheid bestaan. De eerste is de bekendste: de vrijheid om als individu te doen wat je wilt. De tweede wordt vaak vergeten: de vrijheid om als burgers gezamenlijk te bepalen hoe en door wie je bestuurd wordt. Die twee vormen botsen al eeuwen en deden dat zeker ook dit jaar. Maar we hebben ze allebei nodig. Mijn zus al helemaal. 

Ik kan elke dag met mijn dochters knuffelen, maar niet met mijn zus. Al negen maanden mag ik mijn armen niet om haar heen leggen. Terwijl ook zij een kind is, alleen in het lichaam van een volwassene. Pas sprak ik haar via de iPad en hadden we het over de jaarwisseling. Daar keek ze erg naar uit. Want: geen vuurwerk, iets waardoor ze om twaalf uur altijd angstig binnenbleef. De botsing der vrijheden valt wat dat betreft uit in haar voordeel. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Alleen

Ergens in de jungle van Thailand loopt een man uit Weurt. Hij is helemaal alleen. Althans, er zijn nergens menselijke dieren te bekennen. Wel stikt het er van de niet-menselijke dieren. Met een camera om zijn nek speurt de man naar slangen. Ineens staat hij recht tegenover een gouden cobra. Een slang die je kan bijten en die op een paar meter afstand gif in je ogen kan spugen. De man is opgetogen, maar ook op zijn hoede. Hij weet dat hij mijlenver verwijderd is van een ziekenhuis. Bovendien staat hij naast een beekje. Door het lawaai van het stromende water hoort hij niets, terwijl er olifanten aan kunnen komen. En er zijn problemen met de flitser. Maar hij krijgt het voor elkaar. Hij maakt een foto en komt heelhuids thuis.

Ook voor mijn vriend Ton is dit een jaar om snel te vergeten. Al 12 jaar woont deze Weurtenaar in Thailand. Hij verzorgt tours in de jungle, maar sinds maart struint hij voornamelijk in zijn eentje tussen de bomen. Alleen toeristen uit eigen land kunnen met hem mee. Toch staat zijn bedrijf nog overeind. Hij heeft een buffer, een beetje overheidssteun en lage leefkosten. 

Ondanks de tegenslag zit Ton niet bij de pakken neer. Nieuwe plannen geven hem energie. Hij wil nachtwandelingen gaan organiseren in Bangkok. In die wereldstad zijn behalve veel menselijke dieren ook veel niet-menselijke dieren te vinden. Slangen bijvoorbeeld, van bamboeadders tot netpythons. Het is weer eens wat anders. 

Een bezoek aan Nederland zit er voorlopig niet in. Vanwege de restricties, maar ook vanwege het geld. Ik moet het doen met de foto’s die hij online deelt. Gibbons, honingberen, cobra’s. Al zijn deze fraaie kiekjes vooral bedoeld voor klanten. Dat ze de drang voelen om, zodra het weer mag, met hem mee op pad te gaan.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Sebastiaan

Precies een week na het gruwelijke drama in Wijchen stak mijn vrouw trillend haar middelvinger op naar een automobilist. Op een eenrichtingsweg middenin een wijk kwam een auto zo hard op haar af, dat ze zich niet meer veilig voelde en met haar fiets de stoep op bonkte.

Ik herken het gevoel dat bij die opgestoken vinger hoort. Het is woede die ineens achter je borstkast omhoogschiet, als een totaal onverwachte vulkaanuitbarsting. Ik ervaar het vaak genoeg, zowel op de fiets als in de auto. Gierende banden vlak achter of naast me, iemand die door rood rijdt, iemand die op het allerlaatste moment remt, iemand die me afsnijdt. Dan vervloek ik de bestuurder en wens diegene het ergste van het ergste toe. Een auto is een vervoersmiddel, maar ook een wapen. Je kunt er iemand mee verwonden en doden. Geen wonder dat het zulke rauwe emoties oproept.

Alleen laat ik die gevoelens nauwelijks zien of horen. Ik schud een beetje afkeurend mijn hoofd en mompel hel en verdoemenis. Ik ben iemand die inslikt. De angst overheerst, waardoor de woede snel weer terugglijdt in mijn lichaam en daar lang voortsuddert. De laatste jaren probeer ik dat te veranderen, ook in verkeerssituaties. Maar dat is lastig. Je weet niet wie er achter het stuur zit. Je weet ook niet of het zin heeft. Als iemand in het verkeer boos op mij is, omdat ik een fout heb gemaakt, dan is mijn eerste reactie ook boosheid. Boosheid om de boosheid van de ander. 

Toen mijn vriendin met het verhaal van de middelvinger thuiskwam, was het eerste wat ik zei: “Had je beter niet kunnen doen”. Dat was misschien de verstandigste reactie, maar ook iets waarvoor ik me schaam. Als we niet meer van ons laten horen, zijn we nergens. Ik wou dat ik wat meer van de Wijchense Sebastiaan in me had. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Respect

‘Alles wat bewustwording vereist, een nieuwe manier van kijken of een andere manier van leven, is volgens populisten zoals Trump dwaasheid, een regelrechte aanval of een samenzwering van bovenaf.’

Aan deze woorden van schrijver Bas Heijne moest ik denken toen ik vorige week het stuk las over de Drutense stichting Vrienden van Sinterklaas. Zonder Zwarte Piet hoeft het voor dit comité niet. Over de landelijke intocht zegt de woordvoerder: “Vroeger was het een feest. Dan zaten we (…) voor de tv en dan kwamen de mandarijntjes en speculaas op tafel. Maar met die roetveegpieten is de lol er voor ons wel af.” Dat kan natuurlijk. Bij ons is het anders. Mijn kinderen beleven, zelfs in coronatijd, volop plezier aan het Sinterklaasfeest. Ook de mandarijntjes en speculaas gaan er goed in. 

Online krijgt de woordvoerder veel bijval. In die reacties gaat het vaak over ‘respect voor traditie en cultuur’. Het traditie-argument is een drogreden. Dat iets al heel lang zo is, voegt inhoudelijk niets toe. En een eigenschap van cultuur is juist dat die steeds veranderd. De reageerders hebben hun mond vol van respect, maar zwijgen over de vele nare ervaringen die door mensen met een donkere huidskleur zijn gedeeld, ook in deze krant. Zoals: “Kinderen vroegen aan mijn moeder of ze pepernoten had.” En: “In november en december draag ik mijn haren vast. Een afrokapsel roept veel reacties op.”  

Een minderheid legt een meerderheid haar wil op, klinkt het dan weer. Ik ben blij dat we in een land leven waar minderheden worden gehoord en afwegingen worden gemaakt die uiteindelijk voor iedereen van belang zijn. Het Sinterklaasfeest is een verhaal dat we als samenleving voor de kinderen creëren. Laat het een verhaal zijn dat niemand buitensluit.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

De kast van Wout Waanders

Voorgedragen op 20 november 2020 tijdens de coronaproof-bundelpresentatie van Parkplan, het debuut van Wout Waanders

Ruud, Jassin, Bella, Marianne, Marcel,
Dylan, Peter, J. Berkelenmans, Barbara,
Priss, Marie, Sjaak, Vicky, Maarten,
Karin, Cynthia, Sara 
en vele vele anderen

komen niet voor in Parkplan, maar ze komen wel voor in gedichten die Wout ooit aan het papier toevertrouwde. Poëzie die ik onder ogen kwam toen ik hem nog begeleidde, en dat is inmiddels meer dan 5 jaar geleden. 

De dichter werkt gestaag verder, gedicht na gedicht, en dus hoef ik mij daar niet over te verbazen. Toch deed het me vreugde om in Parkplan te lezen over Bibi, over Nathalia en over Tom. Namen als sporen, die terugleiden naar de tijd dat ik met Wout en Oscar Wyers, en later met Wout en Dennis Gaens, in café Beij Ons, Villa Voorstad of het Wintertuinkantoor zat met bier en een stapel papieren. 

Het doet me denken aan het verhaal dat Wout me eens vertelde en dat ik altijd heb onthouden en ook weer aan anderen heb verteld, op momenten dat het toepasselijk was.
Een man bezoekt een kunstenaar en vraagt hem om een bepaalde type vogel te tekenen. De kunstenaar zegt dat hij dat wil doen en noemt zijn prijs. De man betaalt. Een week later komt de man terug en vraagt: ‘En, is de tekening al klaar?’ 
‘O ja, die tekening’, zegt de kunstenaar. 
De kunstenaar pakt een leeg vel papier en tekent daarop in een paar seconden de vogel. De man zegt: ‘Ja hé, maar daar heb ik je niet voor betaald’. De kunstenaar staat op, loopt naar een kast, maakt hem open en dan vallen daar honderden schetsen uit van diezelfde vogel. 
 
Ik weet niet in welke mate dit slaat op Wouts schrijverschap, maar ik denk dat ik aardig wat keren in zijn kast heb mogen kijken. 

Wat me ook wel voor de rest van mijn leven bij zal blijven, is dat ik niet de enige ben die de eigenaardige hobby uit zijn jeugd heeft behouden. Waar Wout al sinds jongs af aan plattegronden met pretparkattracties tekent, daar houd ik al 25 jaar de uitslagen bij van Mari Silenci, een professionele voetbalclub uit Angiesomina, een eiland (voormalig Italiaanse kolonie) voor de Braziliaanse kust. In zijn geheel verzonnen, en nog altijd ben ik bezig die fantasie te laten groeien door hem steeds verder uit te werken. 
Toen Wout zijn idee over zijn chapbook Olifantopia pitchte en vertelde over de plattegronden, kwam ik ook maar meteen uit de kast met mijn voetbalfantasie. Maar Wout is vooralsnog een heel stuk doortastender. Hij weet zijn eigenaardige jeugdhobby op geweldige wijze in te zetten in zijn artistieke werk, dat is bij mij nog niet gelukt, ik heb amper een poging durven ondernemen. 
 
En dan nog iets van Wout dat ik met me meeneem: zijn uitleg over zijn bundel, onlangs prime-time op Radio 1.  
Dat je poëzie kunt vergelijken met pretparkattracties. Als je eruit komt, weet je niet waar het precies over ging, wat het verloop was, maar daar maal je dan niet om, daar denk je niet eens aan, het gaat om de ervaring. Een heel fijne uitleg.  
Ik moet eerlijk bekennen dat ik maar weinig poëzie lees, maar sinds kort lees ik mijn vrouw elke avond voor in bed uit de bundel van Wout. En ja, daar komt ie: zo zijn er toch nog wat attracties in ons bed. 

Wout, gefeliciteerd met je prachtige debuutbundel! Ik hoop nog heel veel van je te lezen -zowel plattegronden als gedichten – en van je te horen. 
Ik wil tot slot een stukje van mezelf voorlezen dat me wel toepasselijk leek. Er komt een naam in voor, liefde, attracties, een dier, Nijmegen en dat godsklere virus. 

Kermis

Soms is het fijn als een evenement wordt afgelast. Ik had dat graag gehad toen ik 14 was. Een afgelaste Beuningse kermis om precies te zijn. Maar in die tijd was er geen corona. 

Twee weken had ik verkering met Lonneke, een knap meisje uit mijn klas. Lang en blond, afkomstig uit Lindenholt. Niet ik had haar, maar zij had mij verkering gevraagd. De eerste week stonden we wat onwennig bij elkaar, altijd met anderen om ons heen. Ergens heb ik haar toen een kettinkje gegeven. De tweede week was het herfstvakantie. Ze belde en vroeg of ik meeging naar de kermis in Beuningen. Ze kwam daar speciaal met een vriendin voor uit Lindenholt. Ik had geen zin in die kermis, omdat ik niks met kermissen heb. Straks zat ze in een attractie die over de kop ging en stond ik erbij te kijken omdat ik niet durfde. Na lang aarzelen zei ik dat ik die dag niet kon. Terwijl ik FIFA speelde op de computer, stelde ik me voor dat zij giechelend met een vriendin in een botsauto stapte en even later een suikerspin kocht. Ik had spijt, maar ook weer niet.    

Het is me allemaal zo goed bijgebleven, omdat ze het uitmaakte op de eerste dag na de vakantie. Ik kreeg het kettinkje terug. Ze zei dat ze me niet aan het lijntje wilde houden. Ik kende die uitdrukking nog niet en moest goed nadenken wat ze daarmee bedoelde. Ik dacht aan een hondje.
Het was een hopeloze verkering. We hadden niet eens gezoend. Toen ik haar niet meer had, werd ik pas echt hevig verliefd. Een vorm van zelfkastijding. In de loop van het schooljaar dacht ik nog vaak terug aan de kermis. Dat was vast en zeker de bron van al het kwaad. Als ik daar nu gewoon naartoe was gegaan, of beter: als dat helemaal niet had plaatsgevonden, dan was het nog altijd L hartje W.

Koop Parkplan bij uw favoriete boekhandel. Meer info >>

Zandhand

Eerst ontdekte ik dat mijn dochter eelt op haar handen heeft, toen dat mijn tante de handen van mijn oma heeft en nu blijkt mijn moeder een zandhand te hebben. Ik had er nog nooit van gehoord en ik weet ook niet of het woord bestaat, maar mijn moeder heeft een zandhand. “Het is net alsof ik zand in mijn vingers heb”, legt ze uit. Het is een mysterieus en pijnlijk gevoel, waar ze de hele dag door last van heeft. 

Ze vraagt of ik haar wil helpen met de vragenlijst van de fysiotherapeut. Daarvoor moet ze eerst inloggen. Dat is een hele opgave. De muis werkt niet mee, het scherm werkt niet mee en het wachtwoord werkt niet mee. “Jij weet wel hoe het moet”, zegt ze, maar ik ben daar ook niet goed in. Toch slaan we ons er doorheen. 

Dan komen de vragen. Bij elke vraag slaakt mijn moeder een zucht. Voor haar hoeft het allemaal niet, ze wil gewoon geholpen worden. Na elk antwoord springt er een subvraag in beeld: hoeveel, hoe vaak, hoe erg. Mijn moeder vloekt. Het is net alsof ze al op de massagetafel ligt. Ik kijk naar haar zandhand. Er valt niets aan te zien, toch heeft ze er al zeker tien maanden last van. En ze houdt niet eens van het strand, ze gaat altijd naar Drenthe op vakantie.

Bij de vraag of ze hobby’s heeft, denkt ze even na. “Zorgen. Verzorgen.” Ze bedoelt de kleinkinderen, maar misschien ook de buurkinderen, neven en nichten, opa’s en oma’s voor wie ze gezorgd heeft. Maar dat is natuurlijk geen hobby. “Doe maar sporten”, zegt ze. Maar dat is weer een andere vraag, of ze aan sporten doet. “Vul maar wat in.”

Als het formulier eindelijk is verzonden, bedankt ze me nadrukkelijk voor mijn hulp. Bij mijn vertrek staat ze voor het raam te zwaaien, net als vroeger wanneer ik wegfietste naar school. Alleen nu met haar zandhand. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Jungle

Deze week vroeg iemand hoe ver ik van mijn ouders af woon. “Exact één Jungleboek”, antwoordde ik. Dat had wat uitleg nodig. Als ik de auto start om mijn kinderen naar Beuningen te brengen, zet ik de luister-cd van Jungleboek aan. Op het moment dat we bij mijn ouders het erf oprijden, komt het verhaal ten einde. Zo gaat het elke keer. Mijn jongste dochter viel het als eerste op. “Het past precies!”, riep ze.

Inmiddels hebben ze het verhaal van Mowgli al tientallen keren gehoord, maar het verveelt ze niet. Aandachtig luisteren ze naar Bagheera, de panter die het verhaal vertelt. Ik herken de stem van Bram van der Vlugt, die vroeger de echte Sinterklaas was, maar dat weten zij natuurlijk niet. Ze kijken naar buiten, naar hun eigen jungle. Huizen, industrieterrein, het Maas-Waalkanaal, weer huizen, bomen met rode of gele bladeren, weilanden. En op de terugweg een paars-roze hemel.

Het verhaal in de auto brengt mij terug naar de tijd dat ik bij de welpengroep zat van de scouting. De leiding was vernoemd naar Jungleboek-personages: Kaa, Baloe en Bagheera. De karakters strookten niet helemaal met hen. In het verhaal is Kaa een gemene slang, bij de scouting een vriendelijke vader van een van de jongens. Ik heb nooit geweten hoe de leiders in werkelijkheid heetten.

De climax van Jungleboek vinden mijn kinderen het leukst. De jongste kent deze passage woord voor woord. Ik hoor haar op de achterbank synchroon meepraten met Van der Vlugt. Ze kan hem goed bijhouden en legt de klemtoon op de juiste plekken. “Het vuur maakte Shere Khan zó bang, dat hij als een laffe kat wegrende.”  

Dankzij Mowgli weet ik precies hoe lang het duurt voor ik bij mijn ouders ben. 12 minuten en 44 seconden, zegt het schermpje van de cd-speler. Dat is inclusief stoplichten.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.