Pinkding

Er bestaan grote en kleine problemen in de wereld. Het allerkleinste probleem is misschien wel mijn pinkblessure. Vier maanden geleden kreeg ik tijdens een potje beachvolleybal in de oude Honigfabriek in Nijmegen een bal bovenop mijn pink. Ik schreef daar al eens over. De pees van het bovenste kootje scheurde en het kootje bleef scheef staan. Het zag er zo suf uit dat ik er niet mee naar de sportleraar durfde te gaan. Maar toen ik de pink een dag later aan mijn huisarts liet zien, zei ze: “Dat wordt zes weken dag en nacht een spalkje om”.

Die zes weken werden er uiteindelijk tien. In het begin liep ik met een blauwe spalk van metaal rond, die als een klem om mijn vinger zat. Dat riep overal waar ik kwam vragen op. De ene keer zei ik dat ik langzaam in een robot veranderde, de andere keer dat het een usb-stick was. Na een tijdje kocht ik een kleinere spalk die met klittenband om mijn vinger zat. Nadeel was dat die er makkelijk afschoof, vooral ’s nachts. Het zorgde voor stress in bed. Een keer werd ik wakker met de spalk aan de verkeerde pink. 

De laatste weken probeer ik de pink, die heel dun is geworden maar wel recht staat, stap voor stap weer in beweging te krijgen. In het begin legde ik een paar keer per dag mijn hand om een wijnfles. Na vijf dagen zocht ik een kleinere fles en zo verder. Inmiddels ben ik bezig met het laatste stukje van mijn revalidatie. Elke dag druk ik met de wijsvinger van mijn andere hand het kootje een paar keer naar beneden, tot ’ie zelf volledig kan buigen.

Mijn oudste dochter is blij dat ik van mijn ‘pinkding’ af ben, zo vertelde ze laatst. Ik ook. Ik heb geen excuus meer om niet te sporten. Want ja, dat had ik lang als excuus. En daarna kwam de lockdown. Over grote en kleine problemen gesproken. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Puzzel

Hij zal nooit hebben kunnen bevroeden dat hij ooit nog eens onderdeel van een puzzel zou zijn. Toch is het zover gekomen. Vele jaren na zijn dood staat Dorus de Mus op een Beuningse legpuzzel van 1000 stukjes tussen de molen, het torentje van de Blanckenburgh en het logo van de Beuningse Boys. En hij is ook nog de enige persoon. Geen burgemeester, geen pastoor, geen succesvolle ondernemer. Nee, deze kerstvakantie zocht ik uren naar stukjes van een dorpsfiguur met een beperking. 

Dorus de Mus woonde in de eerste helft van de vorige eeuw bij de nonnen in het klooster en was zo klein als een mus, vandaar die bijnaam. Hij heeft zich eigenhandig aan de vergetelheid weten te onttrekken, door steeds in beeld te stappen op het moment dat er ergens in het dorp een foto werd gemaakt. Op oudbeuningen.nl staan drie zwart-wit afbeeldingen waarop Dorus de boel saboteert. 

Dorus heeft al langer mijn aandacht. Eigenlijk al toen ik als kind hem in een hoek zag staan in het fotoboek Beuningen in oude ansichten. Ik vond het fascinerend hoe deze randfiguur zichzelf zichtbaar maakte, maar ik vond het jammer dat ik verder weinig van hem wist. Door het puzzelen is dat opvallend genoeg nog minder geworden. Een van de dingen die ik dacht te weten, was dat zijn echte naam Dorus van Bergen was. Maar op de doos van de puzzel staat: ‘Theodorus Rutjes alias Dorus de Mus’.  

Hoe zit dat nou? Wie was hij eigenlijk? Dat hield me tijdens de vakantie bezig. Ik mailde de mensen van Historisch Besef Beuningen. Enthousiast doken zij in hun archieven van bidprentjes en geboorteakten. Waarschijnlijk heette hij Theodorus Rutjes en leefde hij van 1875 tot 1949, maar helemaal zeker is het niet. Over zijn leven weet ik nog steeds niet veel. Die puzzel moet nog worden gelegd. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Jozefs en Maria’s

Als je Jo heet en je bent getrouwd met Maria, dan is het eigenlijk vanzelfsprekend dat je kerstgroepen gaat verzamelen. Inmiddels heeft Jo, vader van mijn vriend Ton, 1300 Jozefs en Maria’s in huis en dan heb ik hemzelf en zijn vrouw niet meegerekend. Sinds woensdag staat een selectie van 240 kerstgroepen tentoongesteld in de kerk van Weurt. Ik ben meteen gaan kijken.

Nieuw is het voor mij allemaal niet. Jaren achtereen ben ik rond kerst bij de familie Smits thuis geweest. Voorzichtig bestudeerde ik de vele groepen die daar in de vensterbanken en langs de muren stonden opgesteld. 

Toch verwonder ik me, al schuifelend door de zijgangen van de kerk, opnieuw over al die beelden. Ze komen uit de hele wereld, van Italië tot Guatemala en van Vietnam tot Malawi. Ze zijn gemaakt van klei, porselein, hout, glas, kunsthars, vilt, wol, blik, papier en zelfs maisblad. Er zitten abstract groepen bij en groepen vol details. Flinke joekels en piepkleine. De kleinste groep is 4 millimeter, Jezus is met het blote oog nauwelijks te zien. 
 
De tentoonstelling vertelt iets over de wereld. Zo zijn de Jozef en Maria van een Poolse groep een stuk groter dan de minder belangrijke figuren in de stal. Ongelijkheid is ook zichtbaar als je let op het materiaal. De groep van porselein komt uit Duitsland, die van maisblad uit Kenia.  

Ik leer ook iets over mezelf. Ik ben opgegroeid met de Westerse Jozef en Maria en het zit er bij me ingebakken dat ze er zo uit horen te zien. Maar de figuren uit bijvoorbeeld Peru en Zuid-Afrika, met andere kleding en andere huidskleur, zorgen ervoor dat mijn perspectief groter wordt en dat ik anders naar de Westerse beelden kijk. 
 
Een kerstboodschap waar geen preek voor nodig is. Je kunt gewoon naar de expositie in Weurt. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Zus

Alleen haar kin is in beeld. Er zit een beetje tandpasta op. Ik zeg er wat van. Ze wrijft met haar wijsvinger, maar niet op de goede plek. 
“Iets lager”, zeg ik. “Ja, daar ja.” 

Al bijna drie weken zit mijn oudste zus in quarantaine. Corona sloop het Thomashuis in Druten binnen en zorgde voor de ene na de andere besmetting. Lang leek mijn zus op haar kamer de dans te ontspringen. Zo was ik met haar aan het videobellen toen ze te horen kreeg dat haar zoveelste test negatief was. “Je mag een beetje juichen”, zei haar begeleider, en dat deed ze dan ook.

Maar een paar dagen later volgde alsnog de andere uitslag. Die kwam hard aan. Mijn zus huilde hartverscheurend, maar hervond zich. Later gaf ze grappend de schuld aan degene die haar had getest. “Ze hebben ’m in het verkeerde neusgat gedaan.” 

In het voorjaar kreeg ik een filmpje toegestuurd. Te zien was hoe mijn zus samen met haar huisgenoten bij een prikhal naar buiten stapten. Ze juichten toen niet een beetje, maar vol overgave. Alsof ze net een doelpunt hadden gescoord. Een prachtige scene. En hoewel het treurig is dat ze nu toch besmet is geraakt, zijn de klachten bij haar en haar huisgenoten dankzij het vaccin minimaal. 

Ondertussen blijkt hoe fijn het is dat mijn zus zich prima alleen kan vermaken. De afgelopen weken zong ze mee met karaoke, speelde ze met haar Fisher-Price-poppetjes, keek Flikken Maastricht in herhaling en hield zich bezig met strijkkralen. Ook haar huisgenoten slaan zich er opvallend goed doorheen, blijkt uit de dagelijkse mail-update.

Diep respect heb ik voor het personeel, die door de besmettingen op halve kracht en volledig ingepakt alles doen in huis. Een ware uitputtingsslag. Als ik aan deze zorgmedewerkers denk, krijg ik een brok in mijn keel. Niets dan lof!

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Kinderen voor Kinderen

In het vriendenboekje van een klasgenoot schreef mijn oudste dochter dat ze graag bij het koor van Kinderen voor Kinderen wil. Die wens is van alle tijden, want mijn oudste zus riep dat ook herhaaldelijk, zelfs toen ze al drie keer zo oud was als de koorleden. 

Dankzij mijn zus is Kinderen voor Kinderen een constante factor in mijn leven. De muziek werd grijsgedraaid op onze boerderij in Beuningen. Zeker vlak na Sinterklaas, want elk jaar kreeg ze van de goedheiligman het laatste album cadeau.

Het verbaasde me dat mijn dochter van dat koor droomt. Ze houdt helemaal niet van dansen, terwijl het daar tegenwoordig vooral om draait. Vroeger was het nog gewoon ‘met één been op de stoep en één been in de goot’. Nu kent elk lied veel snelle en strakke choreografie, die zo moeilijk is om in te studeren dat zelfs Beyoncé ervan moet slikken. 

Mijn dochter is het dan ook vooral te doen om de tekst. Ondanks dat de woorden heel snel gaan, houdt ze het goed bij. Een stuk beter ook dan mijn zus, bij wie elke regel eindigde in ‘nanana’. Jammer is wel dat de liedjes van nu niet meer zo persoonlijk zijn en vol details zitten als die van vroeger. Toen ging het over een kerstezel, wakker worden met een wijsje in je hoofd en het verhuizen van Annemiek. Tegenwoordig is het algemener en ligt de boodschap van gelijkheid, solidariteit en meer bewegen er dik bovenop. De teksten worden daar niet per se beter van.

Aan mijn zus gaat dit alles voorbij. Als veertiger voelt ze zich nu toch echt te oud. 
Mijn dochter droomt nog even verder. Ze heeft ook een grotere kans dan mijn zus vroeger om bij het koor te komen. Toen moest je in ’t Gooi wonen en een ‘r’ hebben, maar dat is niet meer zo. Al zullen die danspasjes mijn dochter wel nekken. Helemaal niet erg, vind ik.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Licht

Op de dag dat ze zich eindelijk weer aan haar moeder vast mocht klampen, had mijn jongste (4) geen behoefte aan licht. Ze kwam ’s ochtends met dichtgeknepen oogjes de trap af en riep dat alle lampen in huis uit moesten. “Nu meteen!” 

Licht aan het eind van de tunnel, daar hadden we de dagen ervoor als gezin ontzettend naar gesnakt, maar misschien vertrouwde ze het nog niet helemaal. 

Ergens wel begrijpelijk, want het was lang onduidelijk geweest wanneer onze tunnel zou ophouden te bestaan. Het einde van een besmetting laat zich niet gemakkelijk aanwijzen. Testen heeft geen zin, want nadat je ziek bent geweest test je nog lang positief, ook als je niet meer besmettelijk bent. De regel is dat je na een week uit quarantaine mag, mits je een dag
klachtenvrij bent. Maar wat is klachtenvrij? Wij twijfelden bij mijn vrouw nog op dag 12 en dag 13.

Op de tweede ochtend na de quarantaine eiste mijn oudste (6) dat de lamp van de woonkamer nog even uitbleef. Ook bij haar snapte ik dat. In haar klas hadden twee kinderen corona en drie zaten te wachten op een testuitslag. Een nieuwe tunnel leek voor haar aan te dienen.

Het deed me denken aan mijn Weurtse vriend Ton, inmiddels al aardig wat jaren woonachtig in Thailand. Als we vroeger in het donker door een bos hier in de regio struinden, dan mochten we van hem geen zaklamp aan doen. Door een lamp ga je slechter zien. Alles wat buiten het licht valt, daar heb je geen zicht meer op. Als je je ogen aan het donker laat wennen, zie je meer. 

Een mooie les, zeker in deze tijd, want het zal wel weer donker worden en blijven. Waar je dan wel gebruik van kunt maken, volgens Ton, zijn de maan en de sterren. En kale bomen waar hun minder felle licht doorheen schijnt. Daarmee kijk je anders naar het donker.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Zolder

En toen zat ik ineens op zolder. Vanaf een matrasje gooide ik een tennisbal tegen de muur en ving ‘m weer op. Om me heen pakjes zakdoeken, dozen vol administratie en een verdwaald bakje met viltstiften. Er werd op de deur geklopt; een bord eten stond klaar. Op 21 juli – de dag van mijn tweede prik – had ik niet kunnen bevroeden dat drieënhalve maand later dit de situatie zou zijn.

In het begin van mijn quarantaine dook ik in de online discussies. Heel onverstandig, want behalve de besmettingen namen ook de discussies exponentieel toe. Wat me weer opviel, was hoe makkelijk veel mensen hun mening gaven. Alsof ze wisten waar ze het over hadden. Terwijl dit virus ondoorgrondelijk is, of in elk geval buitengewoon ingewikkeld, en keer op keer door iedereen is onderschat.

Ik schoof dit alles opzij en nodigde een symfonieorkest uit om iets laatromantisch voor me te spelen. Ook ging ik lezen. Hierdoor kon ik de Waal over, ver weg, naar Noorwegen en naar Oekraïne, waar de romandebuten van Frouke Arns en Lisa Weeda zich afspelen. Ik luisterde naar de indringende verhalen van personages die gedwongen werden huis en haard te verlaten. Dan had ik het maar goed. Huis en haard was juist precies wat ik had. Beneden hoorde ik mijn kinderen – afgesloten van mij en van de buitenwereld – kletsen, lachen, ruziemaken. 

Na een paar dagen voelde ik me goed en mocht ik naar beneden. Maar nu bleek dat ik voor niets op zolder had gebivakkeerd. Mijn vrouw was positief getest. We hadden de quarantaine-jackpot gewonnen. Zij moest naar zolder, terwijl ik de zorg van de kinderen – die nu nog steeds niet naar buiten mochten – op me nam. Zo hobbelden we naar dag 8, dag 9, dag 10. Een lange oefening in nederigheid, maar niet zo’n lange oefening als de pandemie zelf. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Broer

Zal je net zien, sta je net in de rij voor de muntenkassa als op het podium plaatsvindt waarvoor je naar het feest bent gekomen. Het overkwam mij afgelopen zaterdag bij het Prinsenbal in Beuningen.

De carnavalsvoorbereiding hangt van geheimen aan elkaar, dus toen ik een paar dagen eerder een vaag berichtje van mijn broer kreeg, had ik al een confettigekleurd vermoeden dat er meer aan de hand was. 
‘Kom je naar het Prinsenbal?’, appte hij. 
‘Moet je optreden?’, appte ik terug. 
‘Zoiets.’ 
Later werd ik gebeld door een oude bekende, die me ook uitnodigde zonder iets prijs te geven. Het was duidelijk, ik kon niet anders dan gaan. Op weg naar de Tinnegieter speculeerde ik met mijn ouders. Zou mijn broer adjudant worden?

In de sporthal sloot ik aan in de lange rij voor de muntenkassa. Op het podium, aan de andere kant van de zaal, begon de eerste act al. Ondanks de afstand kreeg ik het goed mee. Een groep gemaskerde schoonmakers poetste het decor, een carnavalsnummer schalde door de speakers. Na het lied bleven twee schoonmakers over, een man en een vrouw. Ik keek naar de rug van de man en kon me niet voorstellen dat die rug van mijn broer was. 

Mijn broers rug bleek een geheim voor me te zijn. De maskers gingen af en daar stond het nieuwe boerenbruidspaar van Beuningen: mijn broer en schoonzus. Eind februari worden ze in de onecht verbonden tijdens een ludieke bruiloft.

Het wierp me 19 jaar terug in de tijd, toen mijn ouders het boerenbruidspaar waren. Iedereen in klederdracht en met klompen aan. Mijn vroegere buurjongen wist het nog goed, vertelde hij, ook al was hij pas 4. Hij verloor die dag zijn eerste tand.

Nu waren alvast nieuwe herinneringen gemaakt: dat ik op het moment suprême in de rij stond en dat ik de rug niet herkende.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Fietsen

Er is nauwelijks iets veranderd, dacht ik toen ik samen met mijn vader een glimmende, volgeladen, elektrische fiets optilde en achterop zijn auto zette. We maakten hem stevig vast aan de drager en plaatsten een tweede fiets ernaast. De herfstzon lokte mijn ouders naar buiten. In Noord-Limburg lag een mooie route op ze te wachten.

Fietsen is voor mijn ouders, en in het bijzonder voor mijn vader, een recreatieve bezigheid.  Het is iets voor als het goed weer is, iets voor op de zondagmiddag. Niet zo verwonderlijk natuurlijk, daarvoor zijn het pensionado’s. Hele hordes babyboomers maken de fietspaden onveilig, zeker als het zonnig, droog en windstil is. Mijn ouwelui zijn daarin geen uitzondering. Maar zij doen dit al decennia. Ik ken ze niet anders. Ze waren al gepensioneerd voor ze gepensioneerd waren. Op zondag dan, na het melken. 

Voor mij is fietsen nog altijd een manier om van A naar B te komen. Het heeft een functie. Als tiener zag ik het verschil met mijn ouders en dat vond ik moeilijk. Zij hadden prachtige, dure Gazelles die ze af en toe in het weekend uit de garage haalden, terwijl ik op een tweedehands barrel dagelijks vele kilometers maakte om ergens te komen. Vanuit Beuningen door weer en wind, vaak met een volle schooltas of een hoornkoffer op de bagagedrager. Ergens vond ik het ook wel stoer, dat mijn wielen – met een slag erin – veel vaker ronddraaiden. Het was ook stoer.

Nu gebruik ik meestal de fiets van mijn vrouw. Een sportief, knalgeel zwijntje (‘zwijntje’ blijkt een synoniem te zijn voor fiets), die ze te danken heeft aan het uitstekende fietsplan van haar werkgever. “Eigenlijk maken we nooit fietstochtjes”, constateerde ze pas. En zo is het. Het zwijntje rijdt heel soepel, maar hij rijdt vooral volledig ongepensioneerd.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.
  

Allerzielen

Het is bijna Allerzielen en door schrijver Elske van Lonkhuyzen ben ik bezig met het wonderlijke samenspel van woorden en de dood. 

Een tijdje terug wandelde Elske over het kerkhof in Heteren. Daar zag ze een steen waarop geen naam en geen datum stond, alleen maar ‘vader moeder’. Slechts het hoogstnoodzakelijke, zo mooi. Het herinnerde haar aan een haiku die ze gelezen had, van Yosa Buson: 

‘’T is herfst, en avond; 
ik kan alleen maar denken: 
vader en moeder’.

Elke keer als ik de Graafseweg oversteek, kom ik langs een stoeptegel waar een tekst op staat. Bovenaan een naam, onderaan een datum, in het midden: ‘Doodgereden’. Dat harde, rauwe woord is telkens weer een klap in mijn gezicht. Ik voel de woede en wanhoop, en denk vooral aan de mensen die de tegel plaatsten.

Je hebt ook nog de laatste woorden van een stervende. Die kunnen ontroeren, zoals ‘Kam mijn haar’ of ‘Zing voor me’. Soms zijn ze grappig: ‘Ze zouden nog geen olifant kunnen raken van deze afst-’.

Schrijver Marc van der Holst maakte een boekje waarin hij laatste woorden van beroemdheden selecteerde en arrangeerde. Dan krijg je een tekst waarin elke zin van iemand anders is: 
‘Goed, ik denk dat het nu ongeveer tijd is om naar bed te gaan. Dat is alles; ik denk dat ik nu ga slapen. Ik ga slapen. Ik ben zo moe. Ik ben erg moe. Ik wil slapen. Ik ga nu liggen. Laat me nu slapen. Goedenacht.’

Humor kan welkom zijn en dan moet je schrijver Gerjon Gijsbers hebben. Sinds kort werkt hij in het graf- en groenonderhoud op vijf Nijmeegse begraafplaatsen. Hij deelt foto’s van oude grafstenen in het ochtendlicht, met als bijschrift: ‘Another day at the office’. In zijn vrije tijd draagt hij een shirt met de tekst ‘We put the fun in funeral’. De dood, gelukkig hebben we de taal nog. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.