Park


.
Een vriend vertelde me pas dat hij elke keer als hij een Anta Flu in zijn mond stopt, moet denken aan mijn eerste boek. Het is nu precies vijf jaar geleden dat Park uitkwam. In het eerste hoofdstuk schrijf ik over Anta Flu’s: ‘Mijn moeder vond dat snoepjes. Ik vond het meer iets voor als je last hebt van je keel.’
.
Park is onomwonden autobiografisch. De hoofdpersoon heet Willem en de eerste zin luidt: ‘Mijn moeder bracht me naar Beuningen.’ Het boek gaat over het jaar dat mijn leven stilstond en ik in mijn eentje in een chaletpark woonde. Een bijzonder aspect van een autobiografisch verhaal is, en dat drong pas later tot me door, dat het nooit af is.
.
Neem de omgeving waarin het boek zich afspeelt. Om van mijn werk bij het park te komen, moest ik met mijn fiets dwars door een nieuwbouwwijk. Ik vond die wijk maar niets. In het boek probeer ik dat subtiel weer te geven: ‘Om de paar huizen stond er een ooievaar in de tuin. Op het fietspad moest je uitkijken voor kinderen op stepjes en driewielers.’
.
Er is een paar jaar overheen gegaan en mijn leven is in een stroomversnelling gekomen. Ik ben drie keer verhuisd, vader geworden, getrouwd en mag binnenkort een tweede kind in slaap gaan wiegen. Sinds enkele maanden woon ik op steenworp afstand van het park, in een nieuwbouwwijk die net is aangelegd en die naast de wijk ligt waar ik over schreef.
.
Ik kijk nu anders tegen veel dingen aan en daarmee is het boek een tijdsdocument geworden. Dat blijkt alleen al uit deze passage over mijn broer en zijn dochter: ‘Hij zong een kinderliedje. Hij deed het zonder aarzelen, met een iets te hoge stem. Het was heel vreemd om mijn broer zo bezig te zien.’
.
Park is hier te verkrijgen.

Taart


.
Ik was op de verjaardag van mijn vader en at taart toen mijn vader vroeg of ik het nieuws al had gehoord. Het azc komt er niet. Hij wist dit omdat hij eerder die dag de taart had opgehaald bij de bakker in Ewijk. De klant die voor hem was, kocht ook een taart en vertelde erbij dat er wat te vieren viel, want er was een brief gekomen over het azc. Hij ging ook champagne halen.
.
Ik luisterde naar het verhaal en keek naar het gebaksvorkje dat ik voor mijn mond hield. Het was ineens alsof het een stuk van die andere taart was, alsof ik met die persoon aan tafel zat. Ik legde het vorkje terug op mijn bord.
.
Eenmaal thuis zette ik muziek op van de Zeeuwse zanger Broeder Dieleman. In een lied dat hij schreef voor zijn twee dochters zingt hij zacht en rustig “fuck de haters”. De context is anders, maar het greep me aan. Ik probeerde niet boos te zijn op die taartkoper, ik probeerde hem te begrijpen, maar het was moeilijk.
.
Mijn gedachten gingen naar Barcelona. Twee weken geleden gingen daar 160.000 mensen (!) de straat op om te pleiten voor het binnenhalen van meer vluchtelingen. Reden: Spanje had in 2015 beloofd zestienduizend vluchtelingen op te nemen, maar tot nu toe zijn pas duizend mensen toegelaten. Ondertussen zit Lesbos vol en proberen vluchtelingen nog altijd de Middellandse Zee over te steken. Of er in Ewijk geen azc meer nodig is? Het is maar waar je een muur bouwt.
.
Goed, je kunt opgelucht zijn met het nieuws. Maar taart? Ik luisterde naar het prachtige dialect van Broeder Dieleman en ik wou dat die taartkoper het kon horen:

Draag je n eigen
licht deu de dag
tot a je savonds
slapen mag
en oort dan wakker
mee de vraag
wa vieren we
vandaag
.
en fuck de haters

.

.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Machthebber

.
Het blijft een apart gezicht: volwassenen met een cape om en een pauwenveer op hun hoofd die onder hoempamuziek een zaal binnenkomen. Ik hou van carnaval, ben ermee opgegroeid, maar inmiddels ken ik meer mensen die niets met het feest hebben dan die dat wel hebben. En ik begrijp ze. Een beetje.
.
Dit jaar bestaat het Beuningse prinsengezelschap uit vier bekenden, dat is me nooit eerder overkomen. Met prins Paul ging ik ooit eens op vakantie naar Duitsland, adjudant Heino is mijn neef en tevens degene die me tijdens carnaval de grote zaal binnenloodste terwijl ik daar eigenlijk nog te jong voor was, met page Marlien bouwde ik jarenlang carnavalswagens en met page Sandra heb ik veel geproost op carnaval.
.
Op Facebook zag ik foto’s voorbij komen van de prinsonthulling en ik moest daar ineens aan wennen. Volwassenen in kostuums, ze leken het zo ontzettend belangrijk te vinden. Er volgden meer en meer foto’s, en toen viel bij mij eindelijk het kwartje. Carnaval is een spel en een spel moet je serieus spelen, anders kun je het beter laten. Dat is wat ze doen: ze nemen het spel serieus, maar zichzelf niet al te. De ideale combinatie.
.
Carnaval is zo’n mooi spel omdat het een narrenfeest is. Drie dagen lang wordt het publieke leven flink op de hak genomen, met eigen regels, eigen rituelen, eigen muziek en eigen machthebbers. Prins Paul 2 is niet democratisch gekozen en voerde campagne nadat hij al was gekroond. Het is de wereld op z’n kop. De afgelopen tijd bezocht hij vrijwel elke groep in Beuningen die een carnavalswagen bouwt. Hij dronk een biertje en maakte een praatje. Een machthebber die er is voor zijn volk, simpelweg door er ook echt te zijn, dat zie je niet altijd. Zelfs niet in verkiezingstijd.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

IJstijd


Op de boerderij van mijn ouders vond ik een emmer vol met ijs. Ik drukte er mijn vinger op, schopte tegen de zijkant en ging er op staan. Zeker een kwartier lang was ik, gebiologeerd als een kind, in de weer met het bevroren water.
.
We zijn pas net over de helft, maar we kunnen nu al spreken van een echte winter. Eindelijk weer sneeuw en ijs, en dat meer dan een week lang. En nu zitten we weer in een kleine koude golf.
Maar wat is een echte winter? In kinderboeken over de vier seizoenen verbeelden ze de winter steevast met sneeuw en ijs. Dat is wel een heel kort seizoen dan, want hoe zit het met al die andere, warmere dagen tussen december en maart?
.
In de jaren negentig was de winter nog andere koek (en zopie). Althans, in mijn gekleurde herinnering. Wekenlang lag er ijs op de sloten en in de uiterwaarden, en dat betekende: wekenlang ijshockey.
Verder terug, in de jaren vijftig, bestond het woord ‘natuurijs’ nog niet, alles was natuurijs. In het onlangs verschenen boek De Nije Weg, over het leven tussen 1930 en 1960 in de gemeente Beuningen, lees ik dat Beuningen, Ewijk en Weurt ieder hun eigen ijsvereniging hadden. Lidmaatschap kostte 1 of 1,50 gulden per jaar. De vereniging hield wedstrijden in schoonrijden en hardrijden. Langs de ijsbaan klonk muziek, werd eten verkocht en ’s avonds was de baan verlicht. Als het begon te dooien, kon je altijd nog even ijshockeyen.
.
Stilzwijgend is er een enorme verandering aan de gang. Wie herinnert zich nog het nieuws uit november, dat de temperatuur op de Noordpool 20 graden hoger ligt dan normaal?
Vorige week kwam het klimaatvraagstuk bij me op bezoek. In de gootsteen vond ik een wesp die doodleuk richting het aanrecht kroop.
.


Deze column verscheen in De Gelderlander.
Afbeeldingen zijn afkomstig van de website Oudbeuningen.nl.
.

Begrafenis van mijn personages

Met schrijfster en radiomaker Lisa Weeda reisde ik af naar Deest voor de begrafenis van mijn personages. Enkele maanden terug besloot ik namelijk het verhaal dat een boek had moeten worden (en waar ik vier jaar aan gewerkt had) weg te gooien. Zie mijn column Mislukt.
In de nieuwste aflevering van Ondercast, de maandelijkse literaire podcast, is te horen hoe we Mannes en Margreet ter aarde bestellen (en hoe we zoeken naar Frits de pony). De aflevering beluister je hier.
(Mocht je zeer ongeduldig zijn: het item is te vinden op ongeveer 01.00. Maar dan mis je wel de mooie bijdragen van Hanneke Hendrix, Rik Sprenkels, Jasper Henderson en Corinne Heyrman.)
.
PS 1: Hier boven poseer ik voor een grafstenenwinkel van Deest. Een winkel die te werkelijk is om in fictie te stoppen.
PS 2: ‘Begrafenis van mijn personages’, de titel van dit bericht, is een knipoog naar de meesterlijke bundel van Anneke Claus. Dat moet wel even gezegd worden.
.

Hond


Een jonge asielzoeker eet samen met een Chinees meisje. Het meisje heeft gekookt. Als de borden leeg zijn, komt het gesprek op cultuurverschillen. Het meisje vertelt dat ze weleens hond heeft gegeten. De asielzoeker kijkt haar met grote ogen aan. Hij denkt aan die paar keer dat hij haar heeft gezoend.
“Echt?” vraagt hij.
Het meisje lacht.
“Ja, echt.”
De asielzoeker excuseert zich en op het toilet komt al het eten dat het meisje heeft gekookt weer naar buiten. Later schrijft hij haar een brief, waarin hij een einde maakt aan hun prille relatie. In de brief somt hij op waarom het niet werkt tussen hun twee, maar de echte reden zet hij niet op papier.
De asielzoeker rookt een sigaret als hij mij dit verhaal ’s avonds op straat vertelt. Ik vind het ergens iets weghebben van een mop: ‘Zit een asielzoeker met een Chinees meisje te eten, zegt het meisje…’ Een asielzoeker in een mop, het is weer eens wat anders.
Toch komen we op dat ene, onvermijdelijke onderwerp: de vluchtelingencrisis. De asielzoeker zegt dat hij begrip kan opbrengen voor de protesten. In zijn eigen land gaan ze ook de straat op als er grote aantallen vluchtelingen uit een buurland worden binnengelaten. Maar als ik naar zijn toekomst vraag, naar zijn dromen, glimlacht hij alleen een beetje en kijkt naar de grond.
Deze jongen komt niet in het nieuwe azc in Ewijk te wonen. Hij is uitgeprocedeerd. Oftewel: uit de procedure gehaald, uit het systeem, als een defect product in een fabriek. Ik ben hem zomaar tegen het lijf gelopen. Ik weet niet waar hij verblijft, maar hij is hier, tussen ons.
Hij drukt zijn sigaret uit, zet de kraag van zijn jas omhoog en verdwijnt in de nacht, als de hond in de keel van het meisje.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.

Knollenland

cram006vers01ill0014 .
Wekelijks rijd ik zingend Beuningen binnen. Niet omdat ik zo’n blije kerel ben, maar om voor mijn dochter van twee de tijd in de auto te doden. Ik neem het kinderrepertoire door, waarbij ze bij sommige liedjes steeds het laatste woord van de regel invult. Zo zoef ik over de Van Heemstraweg, met onvaste stem en knijpende ogen vanwege de lage winterzon in de voorruit.
.
Onlangs realiseerde ik me dat er geen droevige liedjes door onze gezinswagen klinken. Er zaten zeven kikkertjes en In een groen knollenland sla ik onbewust over. En dat terwijl er wel regelmatig een hoerenliedje voorbij komt: Altijd is Kortjakje ziek. Een lofzang op sekswerkers, want ‘Kortrokje’ ligt de hele week op bed en vraagt God op zondag om haar zonden te vergeven. Maar dat geheel terzijde.
.
Wat betekent het dat ik die droevige liedjes vermijd? Probeer ik haar de ellendigheden van het leven te besparen? Of heb ik gewoon geen zin om die treurige verhalen te bezingen? Ik weet het niet, waarschijnlijk allebei een beetje. In elk geval heeft het niets met mijn eigen boerenjeugd te maken. Ik werd niet wild enthousiast als er weer een dode haas in de kelder lag – cadeautje van de jager – maar ik heb daar geen trauma aan over gehouden. En de kikkers die ik vroeger bij de sloot vond, sprongen vrolijk rond.
.
Ik heb me voorgenomen om de droeftoeters van de Nederlandstalige kindermuziek niet meer uit de weg te gaan. Omdat het leven nu eenmaal niet alleen hosanna is. De week van een prostituee is ook geen vrolijke boel. En mijn dochter ziet het nog niet vanuit haar zitje, maar we rijden met de auto vaak langs opengereten vogels, poezen of egels.
Pas huilde ze omdat ze koude handjes had. Toen dacht ik: als het daarbij bleef.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Tekening van illustratrice, boekbandontwerpster en schrijfster Rie Cramer (1887-1977). 

.

Moment

winssendeestbankje4.
Het mooiste moment van het afgelopen jaar voor mij was toen ik op een zonnige septemberdag met de auto langs een echtpaar op een bankje reed. Dat klinkt onbenullig en dat is het misschien ook. Het betrof het bankje aan de Van Heemstraweg tussen Winssen en Deest. De man en de vrouw waren op middelbare leeftijd. Ze hadden hun fiets naast het bankje gestald en keken, terwijl ze een boterham aten, naar de drukke weg voor hun neus. Als ik niet in de auto had gezeten, zou ik zeker een foto van ze hebben gemaakt.
.
Het echtpaar had overal kunnen pauzeren van hun fietstocht – er zijn genoeg mooie, stille plekjes in de omgeving – maar ze kozen voor het zicht op de Van Heemstraweg. Het leek alsof ik met mijn auto onderdeel was van een metafoor. Ik had de radio aan, een nieuwszender, en er zal ongetwijfeld iets gezegd zijn over de Amerikaanse verkiezingsstrijd, de Brexit, de aanslagen in de zomer, de oorlog in Syrië, de ouderenzorg of de vluchtelingen. Het echtpaar keek naar al die voorbij razende auto’s met hun radio’s en at rustig door. Ze gaven geen oordeel, ze lieten de situatie op zich inwerken.
.
Begin december sprak ik met mijn vader over de problemen in de veeteelt. Nog zo’n moment. Aan de keukentafel schetste hij voor mij de situatie. Zonder emotie, zonder mening. Natuurlijk had hij wel een mening, maar hij liet toen, op dat moment, alleen zien hoe complex het allemaal in elkaar stak.
.
Dat was ook wat ik in het echtpaar in Winssen zag: ze erkennen de complexiteit der dingen. Ze riepen niet meteen, maar ze keken ook niet weg. Ze namen het in zich op. De redelijkheid stond voorop. En dat is wat ik wens voor het nieuwe jaar. Meer van zulke echtparen op bankjes.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.
.

Toren

14691280_1446740772020092_2389027141862446358_o

.
Elke keer als we bezoek krijgen in ons nieuwe, tijdelijke huis, loopt mijn dochter van bijna twee naar het raam en wijst naar buiten.
“Tore’!”
Het uitzicht op de Sint Stevenskerk is het begin van haar rondleiding en tevens het hoogtepunt.
Nimmer had een kerk zo’n prominente plek in mijn leven. Mijn dagelijks leven, wel te verstaan. Als ik wil weten hoe laat het is, hoef ik maar uit het raam te kijken. Of ik luister naar hoe vaak ze de klok luiden.
Bij protestanten herinnert het luiden van de klokken, bij begrafenissen in elk geval, aan de vergankelijkheid van het bestaan. Bij ons herinnert het aan de vergankelijkheid van ons onderkomen. We wisten het van tevoren: na drie maanden moeten we weer vertrekken.
Dankzij mijn dochter ben ik me heel bewust van de kerk. We lopen door de benedenstad en steeds merkt ze eerder dan ik een ander doorkijkje op.
“Tore’!”
Op de Waalkade houd ik haar op de arm. We kijken naar de bootjes die voorbij varen. Ineens steekt ze haar hand uit.
“Tore’!”
Het is de kerk van Lent. Ze draait haar hoofd om en haar hand gebaart naar die andere toren, háár toren, onze toren.
In Beuningen is ze me opnieuw voor. Vanuit de voortuin van mijn ouders is de Corneliuskerk te zien.
“Tore’!”
Jarenlang heb ik vanuit mijn slaapkamer dit uitzicht gehad, maar ik heb nooit echt goed gekeken.
Er zijn momenten dat ze de Sint Stevenskerk kwijt is en hevig naar hem verlangt. Dan hangt er mist voor.
“Tore’ weg?”
Zo went ze alvast een beetje.
Maar ook als ze hem niet kan zien, weet ze dat hij er is. In de Lange Hezelstraat zoekt ze hem niet meer, maar blijft ze wel luisteren.
“Bim, bam, bom,” zingt ze met hem mee.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.