Van Heemstra


Als er iets is dat als een rode draad door mijn leven loopt, dan is het wel de Van Heemstraweg. Letterlijk zelfs, als je kijkt naar de kleur van het fietspad. Het is de straat die me wegvoerde uit Beuningen, maar me ook telkens weer terugbracht. 

Ik heb op de Van Heemstraweg gelachen en gehuild, gezongen en geschreeuwd, gegaapt en gezwegen. Ik heb mensen gedag gezegd, ik heb ze gekust, ontweken en ingehaald. Ik heb gepiekerd, verlangd en gedroomd. 

Ik heb op de Van Heemstraweg mijn boekentas laten vallen. Ik heb meerdere lekke banden gehad. Ik heb in het donker met de auto zonder licht gereden omdat ik niet wist hoe ik de lampen aan moest krijgen (ik had net mijn rijbewijs). 

Ik heb op de Van Heemstraweg een kat voor mijn neus meerdere malen overreden zien worden. Ik heb een file gecreëerd met een carnavalswagen en op een ander moment met een tractor. Ik heb in de nachtbus de chauffeur moeten overtuigen dat ik niet te vroeg op de stopknop had gedrukt, het was geen grapje, ik moest daar zijn, in dat niemandsland tussen Weurt en Beuningen.

En toch heb ik eigenlijk maar weinig van de Van Heemstraweg gezien. Alleen het begin, tot Beuningen en soms tot Druten. Terwijl hij, met een kleine onderbreking, helemaal doorloopt tot aan Brakel. Daarmee is hij de langste weg met één naam van Nederland.
 
Desondanks vind ik dat die straat ook een beetje van mij is. Ik mag meepraten als de een het heeft over ‘weg’ en de ander over ‘baan’. Ik zeg dan: hij baant zich een weg door Maas en Waal en daarmee klaar. 

En ik mag meevieren, nu het 60 jaar geleden is dat de aanleg van de straat werd voltooid.
Maandag rijd ik er weer overheen.

Deze column verscheen in De Gelderlander.
Het is niet bekend uit welk jaar de krantenfoto komt. Daarmee is ook niet bekend of het om de Van Heemstraweg gaat, of om een voorloper (Oude Koningsstraat).

Groen

Aantekeningen voor deze column.

Bierflessengroen, spinaziegroen, biljartlakengroen. Het is zo aan het begin van de zomer alle tinten groen. Dat is niet verrassend, maar het valt me op. Misschien komt het door die storm van anderhalve week geleden. Nog steeds liggen bij ons in de buurt takken met bladeren op de stoep. Al zou ik mijn best doen, de kleur groen valt niet te missen. 

Voor een vriend van me moet dit een moeilijke periode zijn. Hij is voor een deel kleurenblind, hij ziet het verschil niet tussen groen en rood. Het is aangeboren en daardoor zit hij voor altijd in het stadium waar mijn 2-jarige dochter nu ook in zit. Zij zegt heel stellig “rood” als ik iets groens aanwijs. Haar tactiek: keihard bluffen. Dat zal voor mijn vriend lastiger zijn. Zeker nu.

Er zijn mensen die het Nederlandse landschap saai vinden. Er zijn mensen die zich zorgen maken over de teloorgang van het landschap. Maar als ik door het buitengebied van Beuningen loop, heb ik genoeg te zien. Ik volg een zwerm kauwen en ga van het ene soort groen naar het andere soort groen. 

Het doet me denken aan de beroemde landschapsschilders. In de kleuterklas van mijn oudste zijn ze momenteel bezig met het thema kunst. Bij een schilderij van Van Gogh had de juffrouw opmerkingen van de kinderen genoteerd. Mijn favoriet: “Vincent gebruikt kleine kwastjes”.

Op de boerderij van mijn ouders kom ik ook ineens allerlei soorten groen tegen. De tractor, de afvalcontainer, het klimrek, de kruiwagen, de achterdeur en het nieuwe tafelkleed. 

Mijn vrouw zei deze week dat mijn ogen goed matchen bij mijn lievelingstrui. “Heb ik dan groene ogen?” vroeg ik. Het is alsof ik al die jaren kleurenblind ben geweest.  

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Contouren

Of het nu komt omdat ik langzaamaan de 40 nader of omdat ik kinderen heb, of allebei, maar voor het eerst heb ik het idee dat ik een beetje vat krijg op de tijd. Voor het eerst lijk ik de contouren te kunnen zien van een gemiddeld mensenleven. Tijd is voor mij nog altijd een mysterie en dat zal het ook wel blijven, maar toch is het net iets minder ongrijpbaar geworden.

Tegen mijn kinderen heb ik het soms over ‘vroeger’ en dan bedoel ik vorig jaar. Ik kan goed met ze meepraten, omdat ik zelf ook zo oud ben geweest en op dezelfde manier naar tijd heb gekeken. Tegelijkertijd kan ik hun levens als het ware met twee vingers vastpakken.

Bij mijn gehandicapte zus weet ik juist niet goed hoe het zit met tijd. Pasgeleden werd een onderzoek naar haar fysieke gezondheid gedaan en bleek dat er 12 jaar bij haar leeftijd opgeteld moet worden. Mijn zus heeft het verstand van een 4-jarige, ze is 7 jaar ouder dan ik en nu blijken we lichamelijk 19 jaar te verschillen. 

Een boer van 85 zei laatst op tv dat het vanaf je 40evoelt alsof je van een helling afglijdt. De tijd gaat vanaf dat moment steeds maar sneller en sneller richting het einde. Zou het zo zijn? Ik ben de 40 nog niet voorbij. Mijn zus wel. 

Deze week kreeg ik de kans om te vragen of ze die helling herkende. Ik zag haar bij mijn broer in Beuningen. Ze dronk cola light en vertelde over een feestje. Het was lastig om het onderwerp aan te snijden, omdat ik niet wist of ze me zou begrijpen. Ik vroeg hoe oud ze ook alweer was en of de jaren nu sneller gingen. Ja, zei ze, dat denk ik wel. Toen bleef het stil. Ze was afgeleid, ze moest naar de wc. Bij terugkomst keek ze op haar horloge. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Koppen

Als er iets te doen is in het dorp, zie ik ze altijd. Of het nu gaat om een braderie, carnaval of de kermis. Er zijn een paar figuren die ik elke keer tegenkom. Ik ken ze niet echt, ik weet amper hun naam, maar ik herken ze omdat ze iets heel eigens hebben. Het zijn echte Beuningse koppen. 

Ik weet niet precies waar het ‘m in zit. Het komt denk ik door de vorm van hun gezicht. De stand van de neus, de ogen, de oren, de mond. Of door de manier waarop ze praten, lachen, lopen. Ze zijn niet te missen. Ze horen bij het dorp, zoals de uiterwaarden bij de Waal.

Op een strand in Portugal heb ik een keer een van deze figuren zien lopen. Ik dacht: die ken ik ergens van. Maar ik kon het niet plaatsen. Ik was gedesoriënteerd. Het duurde even voor ik de situatie begreep. Ook zij kunnen loskomen van hun decor, van Beuningen. Soms dan.

Ik heb altijd gedacht dat ze uniek waren. Ik dacht dat ieder mens uniek was en zeker zij, de Beuningse koppen. Levend lokaal erfgoed. Maar mijn goede vriend Ton uit Thailand beweert iets heel anders. Hij komt zelf van oorsprong uit Weurt en heeft in Phetchaburi, het district waar hij al een paar jaar woont en werkt, enkele Weurtenaren zien rondlopen. Ze hebben een andere huidskleur en een ander soort haar, maar verder zijn ze echt Weurts. Het zorgt ervoor dat hij zich een beetje thuis voelt. 

Als ik Ton moet geloven, zou je met wat grondig speurwerk over de hele wereld – van Namibië tot Guatamala en van Noord-Korea tot Cyprus – een tweede Beuningen kunnen samenstellen. Ze hebben andere gewoonten, spreken een andere taal, maar verder zijn ze precies hetzelfde. 

Dat klinkt eigenlijk best als een goed idee. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Mini-tour

Nog even wat puntjes op de i, want met mijn voordracht ‘Beungening’ maak ik de komende tijd een mini-tour langs drie wereldsteden:
– Beuningen, 18 mei, Lenteommetje
– Amsterdam, 31 mei, De Ruimte
– Rotterdam, 16 juni, Frontaal

Komt heen. Wees welkom.

Akoestiek

Het is een menselijke variant van de vogeltrek. Elke donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond beweegt een fietsende meute richting Nijmegen. De Van Heemstraweg als slagader naar vertier.

Langs de route ligt ook de boerderij van mijn ouders. Toch merkt mijn moeder weinig van de heenweg. Ze kan binnen de muren van het huis de eau de colognes en deodoranten niet ruiken. Bij de terugweg is dat anders. Als de jongeren zijn leeggedanst en volgetankt, hebben ze geen besef van de akoestiek van het platteland. De wind hoeft maar een beetje goed te staan en mijn moeder kan, liggend op een oor, alles horen met haar andere oor. Het uitgestrekte grasland tussen de boerderij en de weg doet daar niks aan.

Zelf heb ik ook een tijd aan die kant van het huis geslapen, in de tijd dat ik nog te jong was om uit te gaan. Het waren voor mij toekomstgeluiden uit de nacht: het geschreeuw, de vreugdekreten, het geouwehoer, het roddelen, maar ook de serieuze gesprekken, vol twijfels en verlangens en dronken eerlijkheid. 

Toen ik eenmaal oud genoeg was en in benevelde toestand het laatste stuk naar huis aflegde, hield ik me – ondanks de kermis in mijn hoofd – wijselijk stil. Zelfs het gedag zeggen tegen mijn vrienden deed ik fluisterend, in de hoop dat mijn moeder het niet zou horen. Of nog beter: dat ik haar niet wakker zou maken. 

Maar mijn moeder is van nature geen goede slaper. Ze waakt over de nacht. Vaak genoeg stond ze me in haar pyjama in de keuken op te wachten, hoe geruisloos ik de deur ook van het slot had gedaan. 

En zo hoort ze de laatste maanden altijd wanneer de buurjongen thuiskomt. Zijn ‘houdoe’ schalt dan over het veld. Hij heeft het naar zijn zin gehad en is veilig teruggekeerd. Mijn moeder kan zich eindelijk overgeven aan de slaap. 

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Geertrude

In Beuningen in oude ansichten vind je ergens halverwege een zwart-wit foto van de knappe, jonge vrouw Geertrude van Raaij. Dit boekje staat al sinds mijn jeugd in de boekenkast van mijn ouders en deze foto, of eigenlijk het onderschrift bij deze foto, maakt elke keer als ik het weer onder ogen krijg diepe indruk. Geertrude stierf in 1916 op haar 21etoen ze bij de Koningsstraat met haar fiets onder de stoomtram kwam. Volgens de Maas en Waler uit die tijd ‘werden het meisje zoo goed als beide benen bij onderlijf afgesneden’. 

Op jonge leeftijd overlijden is al heel erg treurig, maar dat in zulke gevallen vooral de doodsoorzaak wordt onthouden maakt het nog treuriger. Wie de persoon was, vertellen mensen niet aan elkaar door. Ze hebben het alleen over hoe iemand aan zijn einde kwam. Voor Geertrude geldt dat helemaal. Haar dood staat omschreven in een boekje dat meer dan 70 jaar later verscheen. 

Daar komt bij dat het hier gaat om een tramongeluk. Zoiets zou nu niet meer kunnen gebeuren. Al vanaf 1934 niet meer, toen de tramlijn Nijmegen-Wamel werd opgeheven. Zo voelt haar dood achteraf extra zinloos. 

Arme Geertrude. Ik zou haar graag herdenken om wie ze was tijdens haar leven, maar er is niets wat ik over haar kan vinden. Althans, dat dacht ik. Toen ik laatst Beuningen in oude ansichtenweer opensloeg, zag ik op de volgende pagina een foto van het huis van Geertrude’s vader. In het onderschrift stond nog iets over haar. Dat ze een geëmancipeerde vrouw moest zijn geweest, want ze fietste en dat was in die tijd voor vrouwen zeer ongebruikelijk. Het is slechts een glimp uit haar leven, maar wel een heel mooie.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Schoolplein

De school was uit. Mijn dochter rende op me af, stopte vlak voor mijn neus en keek over mijn schouder. Ze wou heel graag met iemand afspreken. Ze heeft een vriendinnetje op wie ze gek is, maar zij had met iemand anders afgesproken. Mijn dochter speurde rond en ik zag het al misgaan. Ze liep een rondje over het schoolplein, en toen nog een. Ik zei dat we beter naar huis konden gaan, dat we thuis iets leuks zouden doen, maar ze bleef zoeken. Het werd steeds rustiger, tot we als laatste over waren. Ik zei dat ze de volgende keer zeker met iemand af kon spreken, maar dat we nu toch echt naar huis gingen. Toen was het mis. Ze sloeg tegen mijn been, smeet haar rugzak weg en liet zich op de grond vallen. Haar gehuil ging door merg en been. 

Ik stelde me voor dat op dat moment overal in het land kleuters op schoolpleinen lagen, snakkend naar contact met een leeftijdsgenoot. Ik heb zelf vast en zeker ook weleens op het schoolplein in Beuningen gelegen. Al denk ik niet dat het vaak is gebeurd. Ik was te geremd om mijn verdriet en frustratie op deze manier te tonen. Bovendien vroeg ik bijna nooit iemand om te spelen, bang om teleurgesteld te worden.  
    
Mijn dochter lag daar nog altijd uitgestrekt. Er moest een einde aan komen, maar hoe? Ik pakte haar vast en sjouwde haar mee onder mijn arm, terwijl ze loeide als een sirene. Zo liepen we de poort uit. Iets verderop kwamen we het vriendinnetje tegen en het meisje met wie zij had afgesproken. Ook dat nog, dacht ik. Het vriendinnetje kwam naar ons toe en tikte mijn dochter aan. Ik zette haar op de grond. “Volgende keer spreken wij af,” zei het meisje. Dat was voldoende. Wonderbaarlijk. Mijn dochter huppelde naar huis.

Deze column verscheen in De Gelderlander.

Aandacht

Vorige week zat ik op een bankje in de Corneliuskerk in Beuningen en luisterde naar een solo van een sopraan-saxofoon. Ik was ontroerd. Ik ken de solo goed, omdat ik het vaak heb gehoord in mijn fanfaretijd. De soliste van nu was dezelfde als die van toen, maar de muziek had een heel andere lading gekregen. Henriëtte speelde het lied dit keer voor haar overleden vader.     

Het was een mooie dienst voor Frans Litjes, de oud-postbode die bijna 80 jaar deel was van de fanfare. In de periode dat ik muziek maakte, beschouwde ik hem een beetje als mijn opa. Hij was een lieve, benaderbare man die van grapjes hield. In de dienst hoorde ik dat terug: een familieman met veel aandacht voor anderen. Die aandacht ging nu naar hem. “We vieren vandaag zijn leven,” zei pastoor Harry van Dooren. 

Bij een uitvaart springen de kleine anekdotes over de overledene er vaak uit. Ze zijn veelzeggend, ze doen wat met je. Zo vertelde een kleindochter dat Frans elke ochtend voor het raam stond te zwaaien als ze voorbij fietste op weg naar school. Soms stond hij dan klaar voor niets, als ze het eerste uur vrij had. 

Maar dit keer troffen de grote woorden over het geloof me ook. Vooral door de manier waarop Van Dooren ze inleidde. Hij vertelde dat Frans een gelovig christen was en dat hij geloofde in iets na de dood. “Je kunt het een hemel noemen, maar eigenlijk schiet zo’n woord te kort.” Heel helder en genuanceerd legde hij het uit, met begrip voor de niet-gelovigen in de kerk.  

Het mooiste vond ik dat de tijd werd genomen. De fanfare speelde nog een lang stuk. Alles waar Frans voor stond, kwam zo mooi samen: aandacht, familie, geloof en muziek.

Deze column verscheen in De Gelderlander. 

Verkiezingen

De envelop met mijn stempas ligt al een week op de onderste tree van de trap. Elke keer als ik naar boven loop, word ik eraan herinnerd dat ik binnenkort weer het rode potlood ter hand moet nemen. Ik weet niet of de trap de beste plek is voor die envelop, maar zo vergeet ik hem in elk geval niet.
.
Het doet me denken aan mijn allereerste verkiezingen, toen ik nog helemaal niet mocht stemmen. Ik was met mijn ouders op bezoek bij de man die alles vergat, mijn opa in het verpleeghuis. Die middag zat hij in een politieke mist. Hij brabbelde aan een stuk door over raadsvergaderingen en stemrondes. Het bracht me op het idee om verkiezingen te houden. Mijn vader legde uit hoe het precies werkte. Ik zocht een stuk papier en knipte daar stembiljetten uit. Ik liet mijn opa streepjes zetten bij de partijen, waarbij ik zijn trillende hand naar het papier begeleidde.
.
Het was niet vreemd dat mijn opa die middag, en vele andere middagen in zijn laatste jaren, met bestuur en beleid bezig was. Politiek zat in hem. In Beuningen had hij zijn eigen partij gehad en hij was een tijdje wethouder geweest. Op de boerderij ging het vaak over politiek.
.
In het verpleeghuis probeerde ik via het naspelen van verkiezingen contact met hem te maken. Ik wilde hem uit die mist trekken, of anders zelf in die mist terechtkomen. Ik wilde dat hij me zag en met me sprak. Het werkte niet. We zaten naast elkaar, maar ook in twee werelden. Ik was nog met de uitslag bezig toen mijn moeder mijn pen afpakte.
‘Zo is het wel genoeg.’
.
Pas later zag ik hoe wrang de situatie was. Maar voor mij was het meer dan een spelletje geweest. Het voelde belangrijk wat ik deed.
.
Deze column verscheen in De Gelderlander.